De surseance van Wassenaar

Nu de inflatie toeneemt naar 4,5 procent en de looneisen verder stijgen, dreigt Nederland terecht te komen in een loon-prijsspiraal. Wie vraagt het faillissement aan voor het Akkoord van Wassenaar dat aan de basis loonmatiging?

5,1 Procent erbij voor de timmerlieden, tweemaal vier, in 2001 en het volgende jaar, voor de chauffeurs. De kleinmetaal voert ook acties voor twee maal vier procent, in de bouw rommelt het rond de looneis van 6 procent en de eisen in de zorgsector tellen op tot jaarlijks 6,4 procent. Wankelt Wassenaar? Het akkoord dat daar in 1982 tussen werkgevers en werknemers werd gesloten over loonmatiging lijkt op dit moment enkel nog in Duitsland bekendheid te genieten. Daar begonnen kabinet, werkgevers en werknemers deze week met een nieuwe poging de Bündnis für Arbeit nieuw leven in te blazen, met als voorbeeld het Nederlandse poldermodel dat de loonmatiging mogelijk maakte.

Maar zo matig zijn de lonen in Nederland al lang niet meer. Een internationale vergelijking leert dat Nederland zich al een tijd lang de markt uit prijst. In zijn jongste rapport over de concurrentieverhoudingen in de Europese Unie, concludeerde de Europese Commissie afgelopen december dat die concurrentiepositie van Nederland van alle Europese landen de afgelopen twee jaar het sterkst is teruggelopen. Een maatstaf voor die vergelijking zijn de zogenoemde Unit Labour Costs (loonkosten per eenheid product). In dat indexcijfer wordt berekend hoeveel bedrijven kwijt zijn aan loonkosten voor de productie van hun goederen en diensten. Daartoe worden de loonkosten verrekend met de arbeidsproductiviteit. Ruw gesteld: nemen de loonkosten met 3 procent toe, maar stijgt de productiviteit met 2 procent, dan nemen de loonkosten per eenheid product toe met één procent.

De Commissie rapporteerde in december dat de Nederlandse loonkosten per eenheid product sinds het vierde kwartaal van 1998, daags vóór het begin van de muntunie, met 4,4 procent zijn toegenomen in de gehele economie. Voor de industrie bedroeg de stijging 4,2 procent. Daarmee zijn de kosten in Nederland het sterkst gestegen van de gehele EU. Zelfs Ierland, dat vorige maand onder vuur kwam door de dreigende oververhitting van de economie, heeft zijn kosten minder snel zien stijgen.

Nu zijn de loonkosten per eenheid product een samenspel van twee individueel al moeilijk te berekenen variabelen - de loonkostenstijging en de productiviteit - en dus vatbaar voor statistische interpretaties. Een tweede bron voor de stijging van de loonkosten per eenheid product, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), geeft echter een met de Europese Commissie vergelijkbaar resultaat. De bijgaande grafiek laat zien dat sinds 1996 de lonen gecorrigeerd voor de productiviteit, sneller stijgen dan die in Duitsland.

Een derde bron zijn de International Financial Statistics van het Internationale Monetaire fonds (IMF). Het IMF berekent zogenoemde reële effectieve wisselkoersen. Een effectieve wisselkoers is de gewogen koers van een munt ten opzichte van de munten van de belangrijkste handelpartners. Bij een reële effectieve wisselkoers worden hier ook onderlinge verschillen in binnenlandse prijsontwikkeling verdisconteerd. Het IMF stelt voor de belangrijkste aangesloten landen reële effectieve wisselkoersen samen op basis van de prijs van arbeid. Na lange tijd te zijn gedaald ten opzichte van Duitsland, is de reële effectieve wisselkoers op basis van loonkosten van Nederland sinds begin 1996 acht procent sneller gestegen dan de Duitse.

De Europese Commissie, die op basis van haar gegevens ook dergelijke wisselkoersen berekent, was in zijn concurrentierapport van december nog mild voor Nederland. Zij stelde dat de Nederlandse ,,opwaartse beweging in het licht moet worden gezien van een forse daling sinds begin jaren tachtig (..).'' Maar nu de inflatie over februari, die gisteren binnenkwam op een geharmoniseerd cijfer van 4,9, de hoogste is in de Europese Unie, en ontwikkelingen aan het loonfront duiden op flink toenemende loonkosten, kan de toon uit Brussel snel kritischer worden.

De diagnose tot nu toe is dat de hoge looneisen vooral het gevolg zijn van de krappe Nederlandse arbeidsmarkt, en niet afkomstig van een eis voor compensatie van de stijgende consumptieprijzen. Maar de reactie op het hoge inflatiecijfer van gisteren kan wel zijn dat er in de onderhandelingen bij werknemers nóg minder bereidheid is tot concessies. `Wassenaar' mag dan nog niet failliet zijn, het is wel in surseance.