De oermoeder van Kok

Consensus is slechts een poging om mensen tevreden te stellen die over wat dan ook zelf geen enkele mening hebben. Zo zag de Britse premier Margaret Thatcher het, en voor haar was consensus in de politiek simpelweg het tegenovergestelde van het maken van keuzes. Hier ging het bij haar niet zozeer om platvloerse keuzes in een politiek steekspel, maar om keuzes tussen voor haar fundamentele waarden: licht en donker, goed en kwaad, individuele vrijheid en collectivisme. Een overzichtelijk wereldbeeld dat inmiddels door George W. Bush weer in ere wordt hersteld met zijn rehabilitatie van het begrip `schurkenstaat'.

Thatchers filosofie werd wel eens omschreven als `syncretisch', waarbinnen vele uiteenlopende opvattingen en meningen ronddarden zonder dat tegenstrijdigheden werden opgeheven, laat staan dat er ooit sprake was van een synthese. Dat dualisme komt ons Nederlanders natuurlijk bekend voor. Maar mogen we dan de van origine ideologische Thatcher de Verschrikkelijke vergelijken met het monkelende consensus-gedoe van het Paarse gebeuren in Den Haag? Hier immers is geen sprake van het maken van keuzes, maar worden bloedeloosheid en gebrek aan creativiteit beloond. Iedere wezenlijke discussie met een `maatschappij-content' wordt namens het collectief door de primus inter pares Kok consequent en hoogst persoonlijk afgeschoten. Historische en principiële tegenstellingen tussen neoliberalen en sociaal-demoraten zijn weggepolderd in een gezamenlijk aanbidden van de vermeende zegeningen van zoiets als `marktwerking'.

Simpele bedrijfsvoering, ofwel het managen van de postkamer, noemen ze beleid. Budgetbeheer, ofwel de kosten minimaliseren respectievelijk in de jat houden, noemen ze zelfs strategisch beleid. De boekhouder regeert.

In de Volkskrant omschreef minister Zalm eind vorig jaar het kabinet als ,,degelijk, goed en plezierig''. Het begrip visie associeert hij schamper met hemelbestormen en reclameslogans en hij is groot voorstander van consensus en compromis: ,,polderen in de goede zin van het woord betekent proberen elkaar te overtuigen''. Nu heeft Hans Wijers, ex-minister van Economische Zaken, recentelijk in zijn Den Uyl-lezing het poldermodel doodverklaard. Het is, zo stelt hij, te veel naar binnen gericht, te traag, dient bovenal het eigenbelang van de deelnemers die niet spreken namens hen die zij zeggen te vertegenwoordigen.

Je zou ook kunnen stellen dat de participerende nomenclatura staat voor zelfgenoegzaamheid, arrogantie, bot gedrag, geen dynamiek, geen open mind, minachting voor de omgeving en uitsluitend creatief wat betreft de eigen continuïteit. Kortom, een wat `Van Kemenade-achtige' uitstraling.

Hun betrokkenheid beperkt zich tot het succesvol beëindigen van het overlegproces los van de inhoud. Ieder kan er zich een beetje in vinden, het is iets van niets, het is een vlaflip verpakt als Crème Brulée.

Terug naar Thatcher. Met haar ideologisch fanatisme vernietigde zij in één klap het corporatisme van de vakbondsterreur, het oude Labour en de bloedeigen conservatieve Tory-partij, steunend op fundamenten van gemeenschapszin, talloze sociale belangennetwerken en loyaliteiten waar zij geen enkele boodschap aan had. Met deze politiek van de verschroeide aarde baarde Thatcher in feite Tony Blair met zijn New Labour en Derde Weg. Als zodanig is zij tevens de oermoeder van Wim Kok. Terwijl zij hen zeker als miskramen zal beschouwen, hebben beide kinders met haar gemeen dat ideologie volstrekt verdrongen is door een onmatige obsessie met het heilige marktmechanisme en het fabeltje van de minimale staat. De heren mogen dan minder fanatiek ogen dan de met tasjes meppende dame, maar ze zijn evenzo dogmatisch en evenzo zonder scrupules: Blair met zijn Prodent-smile en Kok met zijn `ik-heb-altijd-gelijk' oogopslag.

Voor deze obsessies met de markt en de verloedering van politiek en overheid wordt hier in Nederland veelvuldig gewezen naar het bedrijfsleven als grote boosdoener. Zo schreef culturhistoricus Thomas von der Dunk een jaar geleden in NRC Handelsblad: ,,het zakenleven heeft door de overname van zijn criteria ook de overheid overgenomen'' en dit ,,heeft er mede voor gezorgd dat ook de politiek aan inhoud en geloofwaardigheid heeft ingeboet''.

Het treurige feit is echter dat een stelletje politici – veelal gefrustreerde onderwijzers, overambitieuze ambtenaren of, nog erger, bestuurskundigen – hun politieke gedachtegoed ontlenen aan een ernstige misvatting over wat bedrijfsmatig respectievelijk marktgericht denken inhoudt. Het zijn juist die politici die foute criteria adopteren, weggehaald bij dubieuze ondernemingen van dakbedekkers, megalomane energieboeren en bankiers die zij ontmoeten in de skyboxen, waar deze politici zich regelmatig laten fêteren.

Het echte bedrijfsleven – in bovengenoemd artikel omschreven als dekbeddenfabrikanten respectievelijk pindakaasverkopers – bestaat overwegend uit hardwerkende lieden, met vrouw (ook werkend), 1,6 kind en twee hypotheken.

De markt is voor hen geen geloof maar een harde realiteit: de consument immers zit aan de knoppen, en luistert hij niet naar hen, dan kan hij de tent sluiten. Dus wordt die consument door hen gehoord, gekoesterd en gerespecteerd zodat het vertrouwen van die burger/consument in het pindakaasmerk Calvé en de fabrikant Unilever vele malen hoger en hechter is dan het vertrouwen in de PvdA om maar wat te noemen. De beleidsvergaderingen hebben investeringen op langere termijn, in de toekomst van de onderneming een hoge prioriteit. Het ongestructureerd rondstrooien van miljarden aan onderwijs en zorg noemt men daar opportunistisch incidentenmanagement. Gekakel over de vrije markt voor boeken op het intellectuele niveau van de Bouquet Reeks betekent demotie en terug naar de postkamer. Voor bijscholing – bij bedrijven alom verplicht – leer je van Minzberg dat strategie niets te maken heeft met planning en beheer: het is een creatief proces van synthese en dus onverenigbaar met dagelijkse besognes zoals beheer. Zij leren dat je voor strategie, voor creatie dus, met je bedrijf en je markten moet eten, drinken, slapen en leven om vervolgens te kunnen boetseren en vorm te geven. Ofwel een Tweede Kamer die luistert naar de samenleving en Wim Kok als creatieve pottenbakker. Goeroe Garry Hamel roept het bedrijfsleven toe: ,,het gaat om passie!'' In Nederland na Oosting lispelt de huisbestuurskundige Roel in 't Veld dat we de handen ineen moeten slaan. Volgens mij kunnen we dus nog heel veel leren van het bedrijfsleven. Maar dan niet in de skybox.

Wouter Knapper is marketingadviseur.