De meeste mensen zijn gewoon conservatief

Op een diffuse manier is Nederland een tamelijk conservatief land. Derhalve zou een partij die zich als `wij conservatieven' tegenover de rest van de natie opstelt een anomalie zijn, meent Siep Stuurman.

Behoud het goede en corrigeer wat niet deugt. Op een hoog abstractieniveau zijn alle weldenkende mensen het eens. Politieke meningsverschillen gaan in de regel over de vraag welke dingen goed zijn en wat er niet deugt. Als alle mensen die iets willen behouden conservatief zijn, is iedereen conservatief. Als alle mensen die iets willen veranderen progressief zijn, is iedereen progressief. Psychologisch heeft de mens eveneens een januskop. De meeste mensen zijn gehecht aan hun vertrouwde omgeving en hun routines, ze zijn dus conservatief. Maar de meeste mensen zijn ook veranderlijk en ze willen altijd wat anders, liefst iets nieuws, ze zijn dus progressief. Conclusie: algemene filosofische en psychologische beschouwingen over het wezen van het conservatisme zijn irrelevant voor de politiek.

Het politieke conservatisme van de afgelopen twee eeuwen kent twee hoofdvormen, een religieuze en een seculiere. De religieuze variant is in de eerste plaats een levensleer. Zij steunt op de overtuiging dat een hoger wezen (`god') de mensheid bepaalde normen heeft meegegeven waaraan het leven, en dus ook de politiek, gemeten dient te worden. In de huidige wereld bestaan vele soorten religieus conservatisme die onderling verschillen op twee punten: ten eerste, in welke God men dient te geloven; en ten tweede welke normen de God in kwestie precies heeft voorgeschreven.

Het seculiere conservatisme gaat in Europa terug op Edmund Burke. In tegenstelling tot zijn godsdienstige pendant is het in de eerste plaats een politieke theorie. Het is geen reactionaire leer, seculiere conservatieven accepteren de praktische onvermijdelijkheid van verandering. Burke pleit voor een politiek die aansluit bij de organische groei van de samenleving, bedachtzame hervorming, maar wel `tijdig' omdat anders revolutie dreigt. Seculiere conservatieven verschillen onderling ook op twee punten: ten eerste in wat zij precies willen behouden, dat verschilt per periode en per nationale traditie; ten tweede over het beste werktempo, de vraag wanneer het `tijdige' moment voor de `tijdige' hervormingen is aangebroken.

Tussen de grondwaarden van het religieuze en het seculiere conservatisme bestaat een zekere innerlijke verwantschap. Beide varianten krijgen een warm gevoel van binnen bij begrippen als `traditie', `het gezin en de familie', `eigendom', `orde en gezag', en beide staan vijandig tegenover het moderne, universele gelijkheidsdenken. Met het bezadigde burgermans-liberalisme kunnen ze goed leven, maar ze hebben principiële bezwaren tegen het radicale liberalisme van denkers als John Stuart Mill en John Rawls. In de politieke praktijk gaan de twee vormen van conservatisme soms samen maar lang niet altijd, omdat veel seculiere conservatieven een hekel hebben aan fanatieke geloofsijver terwijl veel religieuze conservatieven hun seculiere collega's beschouwen als laffe cryptoliberalen.

Religieuze conservatieven zijn vatbaar voor politiek radicalisme, ze geloven soms dat God hun verlof heeft gegeven de wet te verzetten als hun waarden in het gedrang komen. Onder bepaalde omstandigheden veranderen ze in godsdienstige fundamentalisten en openen bijvoorbeeld het vuur op abortusklinieken. Een soortgelijk radicaliseringsproces kan, onder bepaalde omstandigheden (men denke aan de jaren dertig), seculiere conservatieven tot fellow travellers van het rechts-radicalisme maken.

In het Nederlandse politieke bestel is geen plaats voor een seculiere conservatieve partij. Zo'n formatie heeft in de negentiende eeuw enige tijd bestaan. Tussen 1848 en het midden van de jaren tachtig was er een conservatieve groepering in de Tweede Kamer. Wat hen verenigde was hun afkeer van Thorbecke en hun monarchale gezindheid, voor het overige hadden ze geen welomschreven programma. Ze verdwenen van het politieke toneel omdat ze, zoals een tijdgenoot het uitdrukte, alles wilden doen opgaan `in eene algemeenheid van compromissoir karakter'. In feite verdween echter alleen de conservatieve `partij', niet de conservatieven. Rond 1900 vinden we ze terug op de omvangrijke rechtervleugel van de Katholieke partij, als leden van de Christelijk-Historische Unie, en, niet te vergeten, als conservatief-liberalen. Een deel van de Nederlandse liberalen en de meerderheid van de confessionelen was de facto conservatief.

Zo is het eigenlijk altijd gebleven. Het huidige conservatieve sentiment in Nederland behoeft geen politiek tehuis te zoeken, het heeft er al meer dan genoeg. De seculiere conservatieven kunnen terecht bij de VVD die sinds haar oprichting verdeeld is geweest in een liberale en een conservatieve vleugel. De religieuze conservatieven die de soep niet al te heet willen eten, vinden hun natuurlijke tehuis in het CDA, de orthodoxe conservatieven van calvinistische huize bij klein-rechts. Alleen de katholieke rechtzinnigen zijn verweesd geraakt. Tenslotte kunnen conservatieven die menen dat krachtig optreden tegen de teloorgang van gemeenschapsbindingen de hoogste prioriteit heeft, behalve bij de confessionelen ook bij de Partij van de Arbeid aankloppen (en wie weet bij de SP). De enige natuurlijke vijanden van de conservatieven zijn D66 en GroenLinks, maar het gaat wellicht wat ver om een geheel nieuwe politieke partij op te richten om die twee te bestrijden. Conclusie: er is geen politieke ruimte voor een seculier-conservatieve partij in Nederland, en die zal er dus ook niet komen.

Om ieder misverstand te vermijden, het bovenstaande betekent niet dat conservatieve sentimenten in de Nederlandse samenleving geen rol spelen. Integendeel, Nederland is op een diffuse manier een tamelijk conservatief land. Maar juist daarom zou een partij die zich als `wij conservatieven' tegenover de rest van de natie opstelt, een anomalie zijn. Net zoals Nederland een land is met een sterke nationale identiteit en een zwak nationalisme, is het een land met een tamelijk conservatieve grondstemming zonder conservatieve partij – een land dat er meestal in slaagt om vernieuwing te presenteren als een beter soort behoud.

Prof.dr. S. Stuurman is hoogleraar Europese Geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit is de zevende bijdrage in een serie over het conservatisme. Eerdere artikelen verschenen op 3,10, 17, 24 februari en 3 en 8 maart.