De ideale allochtone schoondochter

Cabaretière en columniste Nilgün Yerli was op school de pest-Turk van de klas. Maar de `Turkse troel' is volledig geïntegreerd en spreekt nu beschaafder ABN dan de bezoekers van haar shows. `Met onze 180 culturen doen we het hier met z'n allen veel beter dan in de rest van de wereld.'

Nilgün Yerli is columniste bij Het Parool, het Utrechts Nieuwsblad en de VPRO en ze is cabaretière. Drie, vier dagen per week treedt ze in het hele land op met haar soloprogramma Wat zeg ik. In oktober begint ze met haar nieuwe programma, Vreemde vreemdgangers. Daarnaast treedt ze met haar partner Mark Koudijs op in een andere show, Turkse troel integreert. En komende week verschijnt haar autobiografie – ze is 31 – De garnalenpelster.

Dit tempo zet zich voort in ons gesprek. Nog nooit heb ik een interview uitgewerkt waarbij een zo groot aantal woorden per bandje viel te noteren. En kon ik nu maar de helft van de spraakwaterval weggooien. Maar niets daarvan: Nilgün Yerli is iemand die heel goed om zich heen kijkt en altijd over alles nadenkt.

Haar haast wordt nog vergroot doordat ze steeds verdwaalt. ,,Ik ben zwaar dyslectisch in het vinden van wegen, ik verdwaal in m'n eigen huis. Mijn hond gaat altijd mee, en zelfs die draait af en toe z'n kop om, dan zie ik hem versuft kijken: waar zitten we nou weer? Dan denk ik: die hond ziet het ook al niet meer zitten. Ik moet een keer zo'n navigatiesysteem kopen, ik hoop dat de lieve Sint het mij geeft.'' Intussen komt ze nooit te laat voor haar voorstelling. Heel simpel: ze vertrekt al om één uur.

Ons eerste contact verloopt via een telefonische boodschap. Ik hoor een superenthousiaste stem die me zeker drie minuten lang verzekert hoe heerlijk en fantastisch ze het vindt dat ik haar ga interviewen. Yerli heeft van haar moeder geleerd dat een mens niet alleen bedreven moet zijn in het aannemen van complimenten maar ook in het maken ervan. Nederlanders hebben daar meestal niet van terug.

Ze is ,,geboren in Turkije en gepolderd in Nederland''. Op haar tiende trok ze met haar familie naar Heerenveen. Haar vader gaf daar les aan Turkse kinderen. In `De garnalenpelster' beschrijft ze zonder terughoudendheid de eerste moeilijke jaren in het `land van aankomst', zoals ze het noemt. Zulke boeken zijn er niet veel. De eerste gastarbeiders waren niet extravert en hun nakomelingen die zich wel op de literatuur stortten, missen vaak de naïeve eenvoud om onbekommerd uit de school te klappen.

,,De gemiddelde Nederlander wist: je was een Turks gezin'', zegt Yerli. ,,Turks gezin, andere taal, ander geloof, daar hield het mee op. Maar het echte verhaal dat in ieder van dat soort gezinnen zit, dat hoor je niet zo gauw.'' Yerli's stijl van schrijven doet denken aan die van Sal Santen, die op dezelfde ongekunstelde toon berichtte over het leven in een arm joods gezin voor de oorlog. Het is de toon en de stijl van een kind voor wie grote problemen met de buitenwereld tot de alledaagse realiteit behoren. Op een dag moet ze zich op school voorstellen in zo'n typisch Nederlands `kringgesprek'. Ze heeft één zin uit haar hoofd geleerd: Jet Nilgün hallo. Dat betekent: `Meisje Nilgün groet jullie.' Dat `Jet' had ze van het leesplankje. Bij Jet stond toch een meisje afgebeeld? Als je bij `schapen' schapen zag, en bij `hok' een hok, dan moest `Jet' wel meisje betekenen. Tot op de dag van vandaag kan ze zich boos maken over deze inconsistentie.

Yerli's vader deed haar op een school zonder Turkse leerlingen. Nu is ze hem daar dankbaar voor – ,,hij wilde absoluut dat ik de Nederlandse taal leerde'' – maar toen niet. Ze was de enige Turk op de hele school en werd ,,de pest-Turk van de klas''. Turkie, Turkie, broeke jurkie, riepen de kinderen haar na. Het kwetste haar, maar vooral vond ze het dom. ,,Een jurk met een broek eronder, zoals traditionele Turkse vrouwen die dragen, dat had ik helemaal niet!''

Voelde u zich gediscrimineerd?

,,In die tijd wist ik niet eens wat dat was. En die andere kinderen ook niet. De eerste jongen waar ik verliefd op werd, was Willie Kuipers. Ik sprak de taal nog niet, maar als ik chocolaatjes van m'n moeder kreeg, dan at ik die nooit op maar legde ze in het vakje van Willie. Hij vond mij daar niet leuker door, maar hij at die chocolaatjes wel op. Hij zag me helemaal niet staan, dat stomme Turkse meisje.

,,Vorige week trad ik op in Arnhem, en wie zie ik daar staan? Aaaah, Willie! Ik vlieg hem om z'n hals: Weet je wel dat je mijn eerste liefde was? En hij zegt: ja, ik wist het, maar het was niet omdat je Turk was, ik zag in die tijd helemáál geen meisjes staan! Ik zeg: ja ja! Maar ik begrijp het wel. Je staat er als kind helemaal niet bij stil dat je discrimineert. Het is echt niet van: als ik je nou geestelijk zó erg martel, dan sta jij zwak en dan ben ik sterk. Het is puur een pesterij van het moment.

,,Ik moet ook eerlijk zeggen: ik ben in Heerenveen nooit door een leraar gediscrimineerd. En ook later ben ik nooit echt gediscrimineerd. We hebben in Nederland met sommige dingen moeite, maar met onze 180 culturen doen we het hier met z'n allen veel beter dan in de rest van de wereld.''

Intussen zijn de Friezen wel de enigen over wie de goedmoedige Yerli een beetje venijnig kan worden. ,,Ik werd een Friese Turkin'', schrijft ze, ,,de ergste soort die je je kan bedenken.'' Nou ja, je mag natuurlijk nooit generaliseren, ,,ook over Friezen niet''. In haar volgende show gaat ze een liedje in het Fries zingen. De Kast gaat het voor haar schrijven, ,,maar dat weet De Kast nog niet''.

Auto-ongeluk

Op haar vijftiende jaar is Nilgün met haar familie op vakantie in Turkije als haar ouders een ernstig auto-ongeluk hebben. Nilgüns moeder komt om het leven; haar vader raakt zwaargewond. Later keert hij terug naar Turkije, waar hij inmiddels is hertrouwd. Nilgün besluit in Nederland te blijven. Ze gaat in Haarlem wonen om de heao te volgen. Intussen moet ze wel voor zichzelf zorgen. Vóór schooltijd maakt ze schoon in Heemsteedse herenhuizen, na school werkt ze bij de Xenos en als serveerster bij McDonald's en restaurant Dreefzicht.

In 1993 begint ze haar showcarrière met het programma Turkish Delight. Samen met Inçi Pamuk speelt ze een vriendinnenpaar – de een Nederlands-Turks, de ander plat Amsterdams. Twee bijdehante Turkse meiden die goed Nederlands spreken en ook hun eigen afkomst op de hak nemen – dat is nieuw voor die tijd.

Yerli is altijd in Haarlem en omgeving blijven wonen, en dat is goed te horen ook: ze heeft een buitengewoon chic Heemsteedse r. Bij haar optredens spreekt deze Turkse Troel zuiverder ABN dan de hele zaal bij elkaar. Daarnaast spreekt ze Turks, Amsterdams en Surinaams-Nederlands – binnenkort ook Fries en Drents. Virtuoos is ze in het Turks-Nederlands – ook dat was vernieuwend aan `Turkish Delight'. We kenden in Nederland het joodse accent van Max Tailleur, het Indische van tante Lien en het Surinaamse van Max Woiski – maar het Turkse accent?

Turken spreken van `sjeportklere' en `sjechoonfamilie'. ,,De sj is echt een Turkse letter'', zegt Yerli, ,,je schrijft hem als een s met een cedille eronder. Dat sch is voor een Turk niet te doen. Sjechoon, dat is makkelijker. Die e ertussen, daar leun je dan op. Wij zeggen ook: gapot. De meeste Turken in Nederland komen uit Anatolië, dat kun je horen doordat de k's allemaal g's worden.'

Ze zet ook een sterke Surinaamse vrouw neer, die lui achteroverhangend met een vet Suri-accent pleit voor een relaxte levenshouding, gelardeerd met een dosis broodnodig discriminatieverwijt aan de Hollanders. Surinamers zijn ook Yerli's favoriete publiek. ,,Als ik een Surinamer speel, dan hoeft er maar één te zitten en die trekt de hele zaal mee.''

Ook de Turken krijgen bij Yerli een spiegel voor hun neus. ,,De ene Turk is de andere niet. De zuidwestkust is veel liberaler dan het oosten. Ik ben geboren in een Anatolisch dorpje, Kirsehir, maar zeg er altijd gauw bij: opgevoed in Antalya! Dat is een heel vrije badplaats aan de zuidwestkust. En dat vind ik dan niet kloppen aan mezelf, dat ik de behoefte heb om dat gelijk erbij te zeggen.''

Dat strakke Anatolische heeft u nog wel een beetje. U denkt heel goed na bij alles, u wilt geen verkeerde dingen doen, en u bent heel kuis.

,,Vriendinnen zeggen wel eens: laat je eens gaan! Maar dan denk ik: waarom moet ik me laten gaan als ik morgen denk: waarom heb ik me gisteren laten gaan? Ik weet niet of ik geremd ben. Ik rij prettig. Ik neem prettig de bocht en wil langzaam kijken wat er allemaal is.''

In `De garnalenpelster' vertelt ze hoe ze voor het eerst samen in bad gaat met een jongen, Dick genaamd. Yerli heeft zich bedolven met een dikke laag badschuim als Dick verschijnt. Mag hij aan haar borsten voelen? Ja, dat mag Dick wel. Maar... alleen bóven Nils bikini die ze onder het schuim aanheeft!

Dick komt in Yerli's boek ook voor als auteur van een integraal afgedrukt sinterklaasgedicht. Dat is helemaal niet raar: `De garnalenpelster' is ook een soort plakboek van Yerli's levensreis. Met sinterklaasverzen, `recepten van mijn moeder' en de gebruiksaanwijzing voor het `haarmasker', ook een recept van haar moeder om je haar meer glans te geven.

Yerli hééft trouwens iets met Sinterklaas – als bisschop van het Turkse Myra, maar ook als oer-Hollands symbool. ,,De laatste tijd mogen Pieten niet meer zwart zijn'', fulmineert ze. ,,Je moet groene en gele Pieten hebben. Maar dan maak je de kinderen juist attent op dat zwart! Dat het een neger zou zijn, of een slaaf, dat zien die kinderen helemaal niet.'' Schaatsen doet ze ook al, dat heeft ze als Friese Turkin op school geleerd, en de herfst vindt ze het mooiste seizoen. Verder barst ze geregeld los in een loflied op de voorschriften en regeltjes die Nederland zo Nederlands maken.

U schrijft dat het u zo opviel hoe ongelofelijk goed alles in Nederland was georganiseerd. Ik maak me sterk dat veel immigranten diezelfde indruk hebben, maar je hoort het ze niet vaak zeggen.

,,Ik heb laatst een stukje gelezen en dat vond ik zó gaaf! Een Turkse man, een gastarbeider, schreef in een Turks arbeidersblad: het gaat er niet alleen om wat Nederland aan ons heeft gegeven, maar ook: wat hebben wij aan Nederland gegeven? Wij hebben ons wel kapot gewerkt, maar dat deden we ook uit eigenbelang. En wanneer hebben wij nou moeite gedaan om Nederland te begrijpen? Ik vind echt dat Nederlanders altijd hun best doen. Maar integreren is iets wederzijds.

,,Je moet eerlijk zijn. Dat de gastarbeiders hier het vuile werk hebben gedaan, dat is mischien waar, maar als ze in hun eigen land waren gebleven, hadden ze het heus niet beter getroffen. Die mensen hadden geen andere toekomstmogelijkheid dan naar het buitenland te gaan om daar het vuile werk te doen. De Turkse regering had ze niet opgevangen met hun analfabetisme en onontwikkeldheid.

,,Toen we hier aankwamen dacht ik echt dat ik in het paradijs kwam. Dat je het openbare ziekenhuis binnentrad en het was schoon en alles functioneerde. We zijn in Nederland ontzettend verwend – maar het wordt wel minder helaas. Ik maak me grote zorgen over de gezondheidszorg en het onderwijs, hoe dat achteruit gaat. Er is in Nederland een regel: 65 procent van de school moet wit, 35 procent zwart. Dat is maar een regel – echte controle houden ze niet! Het probleem begint bij de woningsituatie: als je allemaal zwarte wijken laat ontstaan, hoe kun je daar dan gemengde scholen hebben? Daar moet de overheid strenge controle op uitoefenen. Maar we hebben in Nederland een `we zien wel'-cultuur.

,,In Turkije gaan dure kinderen naar de privé-school. In Nederland vond ik het juist zo leuk dat iedereen naar de openbare school gaat: rijk, arm, alles zit daar. Daarom doet het me nu zo'n pijn dat we hier privé-scholen krijgen en privé-klinieken. Ik zat laatst te denken: als ik een kind krijg... nee, geen zwarte school, want hij moet goed Nederlands leren. Ook geen witte school want mijn kind moet ook leren samenleven. En als ie ziek wordt? Niet naar een privé-kliniek: ik wil niet dat het een kind met kapsones wordt. En toen dacht ik: laat maar, ik wíl geen kinderen!''

Toch houdt Yerli van Nederland. Dat is niet zo gek, want ze houdt ook van Turkije. ,,En ik hou van de wereld!'' Ze is een echte positivo. In haar spot is ze nooit kwetsend; van ironie is weinig te bespeuren, laat staan van cynisme. Harde grappen, bijvoorbeeld over de holocaust, zal ze nooit maken. Maar ze is er ook niet voor om over zulke dingen krampachtig te zwijgen. ,,Een vriend van mij kreeg een kind met het Downsyndroom. Ik zat daar behoorlijk krampachtig op bezoek en durfde niks te zeggen. Op een gegeven moment dacht ik: dit doen de meeste Nederlanders dus met de buitenlanders, omdat je bang bent dat je iemand kwetst.''

Yerli's positivisme kent nauwelijks grenzen. Op haar dertigste verjaardag wordt bij haar ingebroken, ze mist onder andere de ring van haar moeder. Maar dan denkt ze aan de mensen die bij de aardbeving in Turkije alles verloren hebben, en realiseert zich dat alles betrekkelijk is, zeker materiële dingen. Juist daardoor wordt die verjaardag een onvergetelijke gebeurtenis. En ze besluit: ,,Nog wel bedankt, meneer of mevrouw de dief!''

Ook voor anderen heeft Yerli een welgemeend dankwoord in petto. Zowel `De garnalenpelster' als Turkse Troel, de bundeling van haar Parool-columns, bevat een uitgebreid dankwoord waarin werkelijk iedereen – van collega's, vrienden en familieleden tot God zelf – een pluim krijgt. Alleen haar vader – die weinig belangstelling toonde voor zijn gezin en Yerli als meisje toevoegde `Jij zult nooit iets worden' – ontbreekt nog. Maar ook daaraan wordt gewerkt. ,,Misschien maak ik nog wel eens een programma `Papa, bedankt'.''

Keukenhof

Is Yerli trots op Nederland? Dat is een moeilijke vraag. Ze vindt het onzin om trots te zijn op je land, want je hebt er niks voor gedaan. Maar als ze bezoek uit Turkije krijgt, neemt ze dat wel mee naar de Keukenhof, en zegt: kijk, de Turkse tulpen, kijk hoe ze geworden zijn. ,,Dat is niet een persoonlijke trots, maar een trots als land: dat ze de tulp in Nederland zo waardig hebben weten te behandelen en ontwikkelen. Maar dat wil niet zeggen dat iedere Hollander mag zeggen: wij zijn zo goed. Wat doen individuen aan een tulpenbol, wat heeft u nou aan een tulpenbol bijgedragen? Ik corrigeer mezelf ook constant op dat gebied.''

Mocht uit deze ampele overwegingen de indruk ontstaan dat Nilgün Yerli zwaar op de hand is, dan is die indruk onjuist. In haar voorstelling is het juist allemaal vederlicht, en dat geeft een gevoel van grote opluchting. Het recente Scheffer-debat waarin deskundigen over elkaar heen vielen met standpunten over etnische problemen lijkt overbodig en vervliegt. Nilgün Yerli maakt het allemaal licht en draaglijk.

Ze is ook de levende ontkenning van alle problemen. Yerli zocht oude dames op als vrijwilligster bij de Stichting Zonnebloem – op de fiets en 's winters op de schaats. Ze ging gesponsord door Aeroflot naar Moskou om speelgoed en oude kleren te brengen voor de weeskinderen, en de opbrengst van haar Parool-bundel schonk ze aan UNICEF. Nilgün Yerli is geen troetelturk, geen Turkse Troel, ze is de ideale allochtone schoondochter. De laatste tijd wordt ze gevraagd op te treden voor Nederlandse kolonies in het buitenland. Straks gaat ze misschien ook naar Istanbul. Optreden voor de Nederlandse kolonie in Turkije, dan is de cirkel rond.

Jacques d'Ancona schreef in een recensie van uw show: Ze probeert niet `een van ons' te zijn. Ze is allang `een van ons'.

,,Ik heb me altijd een vreemdeling gevoeld, in Nederland én in Turkije. Ik wilde er altijd bij horen – bij wat dan ook! Het eerste waar je bij wilt horen zijn je ouders, nou, dat viel al weg op m'n vijftiende. En toen zocht ik het in een land, Nederland. Op de een of andere manier hoor je er wel bij, en dan weer niet. Dus toen Jacques d'Ancona die zin schreef, heb ik daar echt om gehuild.''

Dacht u niet: daar gaat m'n broodwinning als Turkse troel?

,,Natuurlijk moet je ook dingen kunnen loslaten. Als ik `een van hen' ben, hoef ik niet meer zo gefrustreerd en geforceerd te doen.''

In Yerli's programma staat het Turken-thema ook niet meer zo centraal. Het is meer een ikke-vertoning, een soort plakboek in showgedaante. ,,Al mijn leed zit in mijn show'', zegt ze, ,,en al mijn vreugde.''

Het leed is, ook in haar boek, sterk verbonden met het lot van haar moeder. Zij is de garnalenpelster: nachten lang zit zij te pellen om haar gezin te onderhouden, terwijl vader het geld laat rollen bij zijn minnaressen. Op 13 mei gaat Yerli haar moeder ,,voor de tweede keer begraven''. Dat is moederdag, en ook de dag dat zij haar tournee afsluit in de Kleine Komedie – de plek waar een Nederlandse cabaretier alleen belandt als hij er werkelijk helemaal bij hoort.

Nilgün Yerli `De garnalenpelster', uitgeverij De Arbeiderspers, 29,95 gulden.