Beleidsarm

Effectief wetenschapsbeleid is niet spectaculair. Dat beleid zorgt er voor dat het meeste geld bij de beste mensen terechtkomt en dat die mensen niet worden lastiggevallen over de beste weg naar een resultaat waar we allemaal iets aan hebben. Zo'n bescheiden beleid spreekt niet tot de verbeelding. Politici die zich met wetenschapsbeleid bemoeien en onderzoekers die hun eigen onderzoek hebben opgegeven om fulltime wetenschap aan te sturen willen meer aansprekend werk. Ze willen 's avonds tegen hun partner kunnen zeggen: ``Ik heb de oplossing van het reumaprobleem weer een stap naderbij gebracht'' of: ``Ik heb de acupunctuur een sterkere positie in de gezondheidszorg bezorgd.''

Ik herinner mij nog levendig een heftige discussie binnen een van de Gebiedsbesturen van NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Ik pleitte, zoals altijd, voor een bescheiden opstelling en financiering van de beste projecten in plaats van financiering van projecten in bepaalde prioriteitsgebieden. Een van onze Nederlandse topbestuurders beet mij toen toe: ``Wat jij voorstelt is beleidsarm.'' En zo is het. Ik ben voor beleidsarm wetenschapsbeleid.

Ik haal dit op naar aanleiding van twee recente publicaties. De eerste is een rapport over netwerkeconomie. Dat lijkt een afstotend saai onderwerp, maar de commissie Risseeuw van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) schrijft er meeslepend over. Wat mij aansprak was dat de commissie kiest voor beleidsarm. Risseeuw en zijn makkers was gevraagd om ``prioritaire kennisthema's'' aan te wijzen, maar zij ``wensen niet in die valkuil te trappen. Vooraf en van bovenaf vastleggen van kennisthema's werkt alleen maar demotiverend en verstarrend, en brengt groot risico met zich mee van wedden op verkeerde paarden''. Niet naar kennisthema's moet het geld, maar naar excellentie, ``personen en groepen die hun sporen verdiend hebben''.

De commissie Risseeuw ziet wel dat zo'n advies niet populair zal zijn: ``De nadruk op excellentie is in Nederland niet gebruikelijk.'' ``Het ontbreekt ons aan durf om openlijk vast te stellen wie tot de top behoren, en om dat ook in de geldverdeling tot uiting te laten komen.'' Toch pleit de commissie daar voor. Aardig is ook dat Risseeuw opkomt voor fundamenteel onderzoek. Weliswaar is informatie- en communicatietechnologie bij uitstek gericht op toepassing, maar dat betekent niet dat alleen toegepast onderzoek nodig is. De commissie vindt dat bedrijven het academische onderzoek niet moeten aanzetten tot ``wetenschappelijke prostitutie'' door vragen in ``hapklare brokken'' voor te leggen. Dat is geen goed gebruik van de intellectuele capaciteit van onze universiteiten.

Een klaroenstoot dus voor investering in fundamenteel onderzoek; de commissie Risseeuw wil die investering zelfs beleidsarm zien uitgevoerd. Nu de politiek nog. Politici willen concrete doelstellingen voor de portemonnee open gaat en de oproep ``focus on key people, not key technologies'' zie ik nog niet in een verkiezingsprogramma eindigen.

Gaat het in Nederland misschien de goede kant op, het Europese wetenschapsbeleid blijft intreurig. In de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 24 januari 2001 schrijft Jeff Schatz een hele pagina over de remschoenen van de wetenschap. Hij bedoelt daarmee de politieke en bureaucratische belemmeringen die maken dat de Europese wetenschap meestal aansloft achter de Amerikaanse. West-Europa en de Verenigde Staten hebben ongeveer evenveel inwoners en geld per hoofd van de bevolking en Europeanen en Amerikanen publiceren ongeveer evenveel wetenschappelijke artikelen in biomedische tijdschriften. Toch komen meer dan 2/3 van alle belangrijke ontdekkingen uit Amerika. Hoe komt dat? Wat doen wij fout?

Aan de scholen ligt het niet volgens Schatz en dat lijkt mij juist. De Amerikaanse high school is niet bepaald een walhalla voor talentenjacht en intellectuele vorming. Ook geldgebrek voor onderzoek speelt geen doorslaggevende rol volgens Schatz en hij kan het weten. Na een briljante carrière in de biochemie, is Schatz nu president van de Zwitserse adviesraad voor technologie en wetenschap. Hij beschikt over de cijfers. Daaruit blijkt dat er weliswaar landen in Europa zijn, zoals Nederland, die veel minder geld besteden aan onderzoek dan de Verenigde Staten, maar de grote Europese onderzoekslanden, zoals Zweden, Duitsland of Zwitserland, spenderen genoeg geld om topprestaties te mogen verwachten.

Bureaucratisering van universiteiten en politisering en bureaucratisering van het Europese wetenschapsbeleid zijn volgens Schatz schuld aan de huidige achterstand op de Verenigde Staten. Zijn kritiek op de universiteiten lijkt mij, wat Nederland betreft, overtrokken, maar zijn kritiek op het Europese wetenschapsbeleid is mij uit het hart gegrepen. Dat beleid wordt in Brussel opgesteld en uitgevoerd door mensen die geen benul hebben van fundamenteel onderzoek. De selectie op kwaliteit is knullig, ondanks het feit dat dit toch het meest belangrijke onderdeel is van wetenschapsbeleid. Selectie van de beste projecten kan alleen worden gedaan door competente onderzoekers en die zijn schaars. Zulke mensen moet je tijdig vragen met de hoed in de hand en door efficiënte procedures en een redelijke honorering overhalen om mee te doen. Het Vijfde Raamwerkprogramma van de Europese Wetenschapsfinanciering zocht zijn referenten via advertenties in tijdschriften en op het internet met de tekst: ``Oproep voor aanmeldingen voor opname op lijsten van experts voor de beoordeling van voorstellen ontvangen in samenhang met specifieke onderzoeksprogramma's.'' Dat hierop geen serieuze onderzoeker zich meldde, hoeft geen betoog.

De beoordelingsprocedure was bij het Vijfde Raamwerk Programma nog wonderlijker dan bij het Vierde. Om te voorkomen dat beroemde mensen bevoordeeld zouden worden, moesten alle programma's anoniem worden ingediend. Met een kunstwerk kan dat nog, ook al zouden kenners waarschijnlijk direct de stijl van de kunstenaar herkennen, maar bij serieus onderzoek is dat onzin. Een goed project bouwt voort op wat iemand eerder heeft gedaan en een goed project wordt ook beoordeeld op de prestaties die in het recente verleden door de aanvrager zijn geleverd. Plannen kan iedereen maken of laten maken, maar of daar bij de uitvoering iets van terechtkomt hangt af van de kwaliteit van de onderzoeker die het onderzoek doet.

Ook de voorwaarden waaraan projecten moesten voldoen om voor Europees geld in aanmerking te komen, waren merkwaardig. Uiteraard denkt de Europese bureaucratie dat klemmende biomedische problemen kunnen worden opgelost door politieke wil en daadkracht. De onderzoeksonderwerpen worden daarom nauw omschreven en van iedere onderzoeker worden loze beloften verwacht over concrete resultaten (`deliverables') die binnen drie jaar bereikt zullen worden. De murw geworden onderzoekers beloven de gekste dingen. Ik heb zelf aan dit circus mee gedaan dus ik weet waar ik het over heb.

Brussel is ook gek op internationale samenwerking en stimulering van achtergebleven gebieden in Europa. Projecten moeten daarom worden ingediend door netwerken van onderzoekers uit verschillende landen. Het gevolg is dat iedereen op zoek gaat naar iemand in Ierland, Portugal en Griekenland die meegenomen kan worden in een serieus netwerk. Interdisciplinair moet het ook zijn, nog zo'n modebegrip, zodat er de wonderlijkste papieren combinaties van mensen worden bedacht om maar in aanmerking te komen voor het geld. Er is natuurlijk niets tegen samenwerking en interdisciplinair onderzoek, maar dan moet die samenwerking groeien vanuit het onderzoek en niet van buitenaf worden opgelegd.

Schatz herinnert aan de oorlog tegen kanker, die door Nixon werd uitgeroepen. Als het mogelijk is om een man op de maan te zetten, dan moet het ook mogelijk zijn om het kankerprobleem met een geconcentreerde inspanning op te lossen. De politici stortten zich massaal op de arme kankeronderzoekers. Het moest maar eens uit zijn met al dat werken aan modelsystemen, aan virussen, gist, wormen en vliegen. Het onderzoek moest gericht worden op echte cellen van echte kankerpatiënten. Het werd een fiasco. De fundamentele kennis ontbrak om kanker te kunnen begrijpen, de investeringen die toen gedaan werden in toegepast onderzoek waren, achteraf gezien, over de balk gegooid geld. Het is het gesmade onderzoek aan virussen, gist, wormen en vliegen dat het fundament heeft geleverd voor ons huidige inzicht in het ontstaan van kanker. Zoals mijn collega Jim Watson wel eens heeft geschreven: onderzoekers willen echt graag die godvergeten ziekten oplossen, maar we weten niet hoe. Zolang dat het geval is, proberen we kennis te vergaren die op termijn nuttig zou kunnen worden. ``Holding operations'', noemt Jim Watson dat. In Europa zijn wij nog niet zo ver.

Inmiddels zijn de Amerikanen wijzer geworden. Zij geven vooral geld aan uitstekende onderzoekers en laten die onderzoekers beslissen wat het meest kansrijke onderzoek is. In Europa zijn wij nog niet zo ver.