Begraven

Als we bij Iris' moeder zijn geweest nemen we altijd de zijuitgang om het tehuis te verlaten. Daar was nu net een lijkwagen neergezet. Dus wij stapten naar buiten en op hetzelfde moment tilde een magere, in het zwart geklede man de achterklep van die wagen op. Hij keek ons daarbij vriendelijk aan en was ongetwijfeld van plan om goedemiddag te zeggen, maar ik was hem voor.

,,We gaan wel lopen'', zei ik.

Voor mij ligt deze opmerking in het verlengde van een verhaal dat mijn vader een jaar of twee terug vertelde.

Mijn vader heeft zich voorgenomen honderd te worden, als mijn moeder tenminste meedoet. Ze wonen nog op zichzelf. Na het middageten gaat hij naar een naburig bejaardenhuis om een praatje te maken en naar het biljarten te kijken. Toen kwam hij daar binnenlopen en toen was er iemand die zei: ,,In de krant staat dat er een Van Zomeren dood is – familie van je?''

,,Als-ie dood is niet hoor'', antwoordde mijn vader prompt. En eigenlijk moet je hem zoiets zelf horen vertellen. Dan besterft hij het bijna van het lachen.

Natuurlijk was dat een baldadige uitlating van mijn vader. Er zijn heus wel Van Zomerens dood. Maar het is waar: er wordt bij ons met mate gestorven. Doorgaans begraven wij oude mensen, wier dood weliswaar verdriet doet maar moeilijk tragisch kan worden genoemd. Als we terugkomen van het kerkhof, bij de koffie, nemen deze samenkomsten algauw het karakter aan van een familiereünie.

Er zijn ooms en tantes die je in geen jaren hebt gezien en op wie je toch geweldig gesteld blijkt te zijn. Er zijn neven en nichten voor wie de tijd ook niet heeft stilgestaan en toch bespeur je nog iets van kattenkwaad op hun gezicht. Er worden groepjes gevormd en daar gaan de eerste sterke verhalen al over tafel. Weldra wordt er ook gelachen, maar ingetogen, we mogen de droeve aanleiding van dit weerzien niet uit het oog verliezen. Dit balanceren op de rand van ernst en luim vergt nogal wat behendigheid — en juist dit, deze omfloerste vreugde, maakt het dan zo gezellig.