Baas op eigen berg

Er wonen minder mensen dan in Rotterdam en het hoofdpostkantoor is niet veel groter dan een dubbeltje. Toch wil Montenegro onafhankelijkheid. Middelen van bestaan heeft het land niet, behalve smokkel. `We lokken de toeristen met het motto: kom naar Montenegro – uw auto is er al.'

Het was altijd zo simpel: Montenegrijnen waren Serviërs. Montenegro en Servië, dat waren ,,twee ogen in één hoofd'', vond Slobodan Miloševic, zelf Montenegrijn. In Montenegro woont de Servische ziel. ,,In ons hart klopt het onsterfelijke Servische hart en borrelt Servisch bloed'', schreef een van de vroegere heersers van Montenegro. Beschouwde hun koning Nikola, die in 1918 zijn troon verloor, zich niet als Serviër? Dichtte hij niet zelf in het volkslied dat zijn ziel ,,pas eeuwige vrede heeft als de Serviër geen slaaf meer is''? Sloot dat Montenegro zich in 1918 niet vrijwillig aan bij Servië, in het nieuwe Joegoslavië? En blééf het niet even vrijwillig in de federatie met Servië toen in 1991 de anderen wegliepen, de Kroaten en de Slovenen, de Bosniërs en de Macedoniërs? De Serviërs en de Montenegrijnen delen toch één taal, één orthodoxe religie, één alfabet? En werd dit luttele landje van rotsen en stenen aan de Adria trouwens niet gesticht door zeven Servische ridders die in 1389 na de verloren slag op het Merelveld tegen de Turken naar dit lege land trokken dat later Crna Gora is gaan heten, Montenegro, Zwarte Bergen – zwart omdat (zegt de overlevering) de Turken het ene leger na het andere zagen verdwijnen in die bergen, om nooit terug te keren?

Het was simpel. Maar dat is verleden tijd. Montenegro wil er uit, uit die federatie, het wil onafhankelijk worden. Het heeft meer dan genoeg van Servië, óók nu de grote boze Miloševic is gevallen en in Belgrado met Vojislav Koštunica het fatsoen aan de macht is gekomen. Nu praten de Montenegrijnen niet meer over de Serviërs als hun broers. Die vrijwillige stap van 1918 was helemaal niet vrijwillig, het was een brute annexatie, zeggen ze. Van alle bezettingen die we hebben gekend, van Turken, Italianen, Duitsers en Serviërs, was de Servische de ergste. Nu hoort de wereld opeens van de kerstopstand van 1919 tegen die bezetting, van Servische uitbuiting. Hun enige investering tussen 1918 en 1941 was de gevangenis die ze in Cetinje bouwden. We werden een Servische verwegprovincie, niks kregen we, niks dan wat kruimels. En nee, de Servische en Montenegrijnse taal zijn helemaal niet hetzelfde, en het alfabet is ook niet gelijk, want wij in Montenegro hebben drie letters meer dan de dertig die de Serviërs er hebben.

Jevrem Brkovic is een boomlange, stoffige grijsaard met een pluizige baard. Dichter en historicus is hij. De Montenegrijnen, zegt hij, waren al twee eeuwen op de Balkan voor de Serviërs en Kroaten er kwamen, toen de Serviërs hun eerste koning kregen, hadden wij er al zeven gehad. ,,De Servische cultuur en mentaliteit is alleen door de orthodoxie beïnvloed. De Montenegrijnse is anders, naast de orthodoxie zijn er de invloeden van het katholicisme van de Dalmatische kust en Venetië, en de islam van de Albanese buren en de Albanese en de moslim-minderheid.'' Dit is een multiculturele samenleving, zegt Jevrem Brkovic: ,,Nooit in onze geschiedenis hebben we hier een probleem gehad met de minderheden, hier zijn nooit etnische zuiveringen geweest. Onder koning Nikola zaten er katholieken en moslims in elke regering, vijftig jaar lang. In 1905 zei hij in een decreet tot de moslims: ga niet weg, Montenegro is net zo goed van jullie als van ons.''

We scheiden ons ook niet af van een intact lichaam, zegt Jevrem Brkovic, want we zijn nooit een deel van Servië geweest. De Serviërs moeten ons eigenlijk dankbaar zijn dat we opstappen. ,,Dat is dan het eind van de Groot-Servische droom. Nu kunnen ook de Serviërs eindelijk een normaal leven leiden.''

Stille uitroeptekens

Podgorica, de hoofdstad. Een dorp dat probeert een stad te zijn, in het enige dal dat die naam verdient in een ruig, kaal, wild land van onvoorstelbaar mooie rots- en berglandschappen, diepe kloven, diepgroene meren, imposante vergezichten. 160.000 van de 650.000 Montenegrijnen wonen in de hoofdstad. Het centrale plein is een lelijke parkeerplaats, er staat een beetje hoogbouw, het hoofdpostkantoor heeft de omvang van een dubbeltje, met zeven loketten, en als je aan de ene kant het centrum binnenrijdt, zie je al de bossen en rotsen aan de andere kant van de stad. Je bent er zo doorheen. Wat platanen- en cypressenboulevardjes en je hebt het gehad. In Podgorica is niets te zien.

Er is ook niets te doen. Werk is er niet: 70 procent van de Montenegrijnen heeft geen baan. Dit land – een derde van Nederland – heeft niets, alleen maar kale bergen, alleen maar slangen, rotsen en stenen, en daarvan héél veel, ruig, ontoegankelijk. Verder heeft het alleen die wonderlijk mooie kust met oude, oude Dalmatische stadjes als Ulcinj, voormalig piratennest waar je nu nog de zwarte afstammelingen van de Algerijnse slaven van vroeger kunt tegenkomen, en het eilandstadje Sveti Stefan, de havenstad Bar, en Kotor, precair klem tussen de zee en de rotsmuur. Zelfs hun voedsel kunnen ze niet produceren. De dalen zijn te stenig voor de landbouw, driekwart van het voedsel moet worden ingevoerd.

Ze werken ook niet graag. Montenegrijnen zijn een oud volk van vechtjassen. Een samenleving van clans – nog steeds. Driehonderd jaar hebben ze zich tegen de Turken moeten verdedigen, en die Turken hebben het land nooit gecontroleerd: ze waren de baas in de paar dalen, de Montenegrijnen beheersten de bergen, en er zijn ontzettend veel bergen. De oude hoofdstad Cetinje, hun `stenen troon van de vrijheid', nu een slaperig dorp op een rotsplateau waar je nog de dertien ambassades kunt zien die er in 1918 waren, is in drie eeuwen maar drie keer door de Turken veroverd, steeds voor twee dagen, genoeg om de stad plat te branden en weer snel het dal op te zoeken voordat de Montenegrijnen de aanvoerlijnen afsneden. De hele Balkan hadden ze, de Turken, de hele Balkan – maar Montenegro hadden ze nooit.

Driehonderd jaar lang waren de Montenegrijnen meester in deze tegelijkertijd overweldigende en karige natuur. De vrouwen werkten, de mannen hielden de vijand in de gaten vanaf de bergtoppen: rasvechtjassen. Vechten is hun beroep, hun roeping, hun levensinhoud, hun legitimatie. Geboren helden. De Spartanen van de Balkan. Moedig op het roekeloze af, en hartstochtelijk trots. Trots op hun 33 clans en stammen. Trots op hun eigenzinnigheid, op hun bloedwraak, op duizend jaar van eigenzinnige onafhankelijkheid. Dapperheid, eer en moed worden in Montenegro met hoofdletters geschreven. Nog steeds. En nog steeds, zeggen hun critici, werken in Montenegro de vrouwen en houden de mannen de vijand in de gaten, maar nu in de kroeg, rokend, leuterend, koffie en raki drinkend. De mannen doen niets, want helden, ach, helden werken niet.

En dus zitten de terrasjes aan de Njegoševa, de dorpse flaneerboulevard van Podgorica, 's ochtends om half acht al vol met mooie meiden en jongens in leren jasjes, en 's avonds om half acht zitten ze nog steeds vol. Niemand is ouder dan dertig. Dure auto's rijden langs, alvast voorzien van het landenkenteken CG, Crna Gora, Montenegro. ,,Er is maar één gespreksthema: hoe heel snel heel veel geld te verdienen'', zegt een vriend. Een officiële economie bestaat haast niet, de grijze sector is reusachtig, want smokkelen, dat kunnen ze goed. Sigaretten vooral, en auto's: Montenegro is Europa's grootste parkeerplaats van gestolen auto's. ,,We lokken de toeristen met het motto: kom naar Montenegro – uw auto is er al'', grapt de vriend. In Podgorica vind je veel meer moderne luxe cafés en boetieks dan normale winkels: investeringen van de smokkelbranche. ,,En de kleren in de boetieks zijn allemaal gestolen'', zegt de vriend.

Moet dit land, deze steenmassa aan de Adria, deze peuter met minder inwoners dan Rotterdam, verstoken van economische hulpbronnen – de EU betaalt een derde van 's lands begroting – nu echt onafhankelijk worden? Ja, zegt Srdjan Darmanovic, opiniepeiler en researcher. Bijna 60 procent van de Montenegrijnen wil die onafhankelijkheid – en 80 procent van de jongeren, van de goed opgeleiden en de stedelingen, plus 100 procent van de etnische minderheden, de Albanezen, de moslims, de Roma (zigeuners), de Kroaten. ,,In de praktijk zijn we al onafhankelijk, al drie jaar. Als we in Joegoslavië blijven – wat wacht ons dan? In Servië zal de overgang naar een democratie en een werkende markteconomie veel moeizamer en langer zijn dan hier. We liggen ver voor op Servië.'' Daarbij komt, zegt Darmanovic, dat Montenegro te klein is om spanningen met buren te produceren. Territoriale conflicten zijn er niet, de minderheden zijn volledig geïntegreerd, er is geen agressieve diaspora. ,,En men heeft haast: onder Miloševic was onafhankelijkheid uitgesloten: het zou een nieuwe oorlog hebben betekend. Nu zijn de veiligheidsrisico's weg. Het is nu of nooit. Als we er nu niet uitstappen, zitten we over twintig jaar nog in die federatie.''

Natuurlijk, er zijn problemen. Veertig procent wil de onafhankelijkheid niet – die minderheid is te groot. Montenegro kan economisch niet op eigen benen staan. Maar niemand hier verwacht wonderen, zegt Darmanovic, en we weten ook dat de wereld niet op Montenegro zit te wachten. ,,Je kunt de vraag ook omkeren: wat gebeurt er als we in Joegoslavië blijven? Kijk naar het probleem van de Albanese guerrillastrijders in Zuid-Servië, naar Kosovo, naar de moeizame overgang naar de democratie. Dat zijn niet onze problemen. Ze zijn nooit onze problemen geweest. We willen daar geen gijzelaar van zijn.''

,,Niemand kan ons verwijten dat we het niet lang hebben geprobeerd, in die federatie met Servië'', zegt Miodrag Vukovic, de belangrijkste assistent van de Montenegrijnse president Milo Djukanovic, jong, snel pak, fijngetekend baardje. ,,Het Westen zei ons jarenlang: geen onafhankelijkheid zolang Miloševic aan de macht was. We hebben meegewerkt, en dat kwam ons duur te staan in de vorm van dubbele sancties, die van het Westen tegen Joegoslavië en die van Miloševic tegen ons. Maar nu is de maat vol. We hebben drie Joegoslavië's gehad, het koninklijke van vroeger, dat van Tito en dat van Miloševic. Ze werkten geen van drieën. We hebben alles geprobeerd, maar Joegoslavië als idee is finished, wasted.''

Jullie juichen voor Koštunica, zegt Miodrag Vukovic, ,,maar Servië is niet democratisch. Miloševic leidt de oppositie, zijn belangrijkste beul is president van Servië, zijn mensen adviseren de nieuwe ministers. Alle intellectuelen die vroeger achter Miloševic stonden, staan nu achter Koštunica. Wij willen daar niets meer mee te maken hebben. De Groot-Servische gedachte is allerminst dood. Het woord federatie is synoniem aan Groot-Servië, omdat Serviërs nu eenmaal Serviërs zijn en denken dat ze het belangrijkste land op de Balkan zijn, en omdat Servië in bevolkingsaantal zeventien keer zo groot is als Montenegro. Is een federatie van gelijke partners mogelijk als de ene zeventien keer zo groot is als de andere?'' Als Montenegro in Joegoslavië blijft, zegt hij, worden ons hooguit wat kruimels toegeworpen van de internationale steun die het land gaat krijgen. ,,Zo was het altijd al.''

Het nieuwe Servië, lieveling van het Westen, kan maar bij weinigen in Montenegro op sympathie rekenen. Ze kennen Koštunica al jaren. Hij is een nationalist. De Montenegrijnen zijn het zat dat besluiten over Montenegro elders worden genomen, het moet eindelijk eens vanuit Podgorica worden geregeerd. Koštunica mag misschien fatsoenlijk zijn, over tien jaar zullen de Serviërs hun eindeloze Groot-Servische spelletje hervatten: het is écht nu of nooit. Anti-Servisch – nee, dat zijn ze niet, dat wil men in Belgrado maar niet snappen. Ze verschillen alleen van mening met de Serviërs over wat het beste is voor Montenegro – dat is alles.

Houten jargon

De oppositie is tegen de onafhankelijkheid. De oppositie, dat is vooral de Socialistische Volkspartij, de SNP, de partij die Miloševic tot oktober vorig jaar door dik en dun gesteund heeft en die zich vervolgens rap achter de nieuwe leider, Koštunica, schaarde. Een van de SNP-leiders is Vuksan Simonovic, een frêle man in een zwartleren jasje die spreekt zoals vroeger in het oosten de communisten spraken, in dat houten jargon, met ellenlange inleidingen en met grote bogen rond de vraag heen. Hij scheldt een beetje op de NAVO, maar hij haalt die wel van stal als hij zegt dat de internationale gemeenschap óók niet voor de Montenegrijnse onafhankelijkheid is. ,,Servië en Montenegro'', zegt hij, ,,delen bloedbanden, delen een lange geschiedenis, een taal, hun cultuur, ze hebben economieën die elkaar aanvullen, hebben hetzelfde gezondheids- en onderwijssysteem.'' Integratie is de trend in Europa. Als we in Joegoslavië blijven, maken we een kans ooit lid van de EU te worden, als we er uit stappen niet. Vuksan Simonovic wil niets weten van de stelling dat de federatie al jaren dood is en dat Montenegro al jaren de facto onafhankelijk is. Dat zijn ,,politieke kreten zonder basis''. Economisch kunnen we niet op eigen benen staan, zegt hij, onze industrie leunt op de Servische markt, jullie Hollanders zullen nooit een Montenegrijnse ijskast kopen, niemand doet dat.

Wat doet zijn SNP als de Montenegrijnen in juni in een referendum besluiten onafhankelijk te worden? Vuksan Simonovic kijkt heel moeilijk. Als het referendum democratisch is, zullen we de uitslag respecteren, zegt hij. Maar het referendum wordt sowieso niet democratisch, omdat de Montenegrijnen buiten Montenegro niet mogen deelnemen. Komt het tot geweld? ,,De SNP heeft tijdens de NAVO-agressie alles gedaan om geweld tussen burgers te voorkomen. Ze zal dat weer doen als Montenegro voor onafhankelijkheid kiest.'' Maar hij weet zeker dat de Montenegrijnen tegen de onafhankelijkheid zullen stemmen, in de resultaten van de peilingen wil hij niet geloven: ,,Die zijn allemaal besteld, door de regering.''

De Liberale Alliantie van Mirjana Vujanovic behoort ook tot de oppositie maar is vóór de onafhankelijkheid. Ze beklaagt in haar duistere partijhoofdkwartiertje de staat waarin Montenegro zich bevindt: geen rechtsstaat, geen efficiënte staat, geen hervormingen en veel corruptie. Maar het ergste, zegt ze, is dat Montenegro geen burgerlijke maatschappij is. ,,Dit land is ziek. Het is ethisch ziek. Het is ziek wegens de corruptie, a way of life in dit land. De enige ethiek hier is de ethiek van het liegen, bedriegen, stelen en frauderen.''

Toch vindt ze dat Montenegro onafhankelijk moet worden: ,,We moeten dit land omdraaien. Het heeft honderd jaar lang naar het oosten gekeken, naar Servië. Maar we moeten naar het westen kijken, naar de Adriatische Zee, dat is onze toekomst: Italië, Slovenië, Kroatië. We hebben met Servië niets meer.'' En zeker, het land kan niet op eigen benen staan, maar als we onafhankelijk zijn, worden we tenminste gedwongen ons met de economische problemen bezig te houden. Hier is nooit hervormd omdat Miloševic het niet toeliet en ons voortdurend bedreigde, tot hij een alibi werd waarachter de regering zich kon verschuilen bij haar halfslachtige hervormingspogingen: dat het niet beter lukte, lag altijd aan Belgrado.

In een buitenwijk van Podgorica woont Mileta Pavicevic, een grofkorrelige man met een grijze baard. Hij is wat we een extremist mogen noemen. Hij praat kwaad, met uitroeptekens, en hij schreeuwt een beetje als hij praat. Zijn muren hangen vol met foto's van hemzelf met mensen als Karadzic, plaatjes van Servische bisschoppen, Servische kloosters, Servische vlaggen, Servische standbeelden, Servische helden.

Pavicevic kan moeiteloos een paar duizend betogers de straat op brengen en vertegenwoordigt een groot deel van de 40 procent van de bevolking die tegen de onafhankelijkheid is. ,,Montenegro is Servië, één natie, één volk, taal, cultuur, alfabet, een gezamenlijke geschiedenis van duizend jaar. Als Montenegro zich afscheidt, is dat slecht voor Servië én Montenegro'', zegt hij. ,,We zijn omringd door vijanden, in Kroatië zitten de ustaša, in Albanië de aanhangers van Groot-Albanië. Ik kan je kaarten van de Albanezen laten zien waarin Podgorica in Groot-Albanië ligt! En het ergste is, de Albanezen zullen bij het referendum de doorslag geven. Straks wappert hier de Albanese vlag, of de Turkse vlag! In zo'n land kan ik niet wonen.''

Het klopt ook niet dat Montenegro vanuit Belgrado wordt bestuurd, zegt hij. ,,Het is juist omgekeerd: in Belgrado regeren al tweehonderd jaar Montenegrijnen, de Karadjordjevic-dynastie kwam uit Montenegro, Miloševic is een Montenegrijn, heel wat vroegere premiers kwamen hier vandaan.'' Hij beklaagt bitter de zwakte van Montenegro. ,,Wat is Montenegro nu helemaal? Je rijdt er in negentig minuten doorheen en je ziet alleen maar stenen.''

Maar bij alle ferme retoriek, alle strijdlust die hij wil uitstralen, klinkt ergens in de stem van Mileta Pavicevic al een vermoeide berusting door. Hij wil zich niet actief in de campagne voor het referendum mengen, zegt hij, die duizenden betogers die hij de straat op kan brengen – nee, toch maar niet. We zijn arm, zegt hij. Voor een campagne heb je geld nodig en dat hebben we niet. En Mileta Pavicevic staat op en pakt een gusle van de muur, het eensnarige strijkinstrument van de Montenegrijnen, en hij gaat voor zijn muur met Servische kloosters en kerken en helden zitten en hij speelt op zijn gusle, voor de foto, maar er komt geen geluid uit.