Zo moeilijk is het niet

Fouad Laroui schreef het boekenweek-essay `Vreemdeling: aangenaam'. ,,Ik heb erg aan de Nederlanders moeten wennen.''

,,Vrijheid is geen ijdel woord in Nederland, zeker niet in Amsterdam, waar je nog meer dan in Parijs jezelf kunt zijn.'' Aan het woord is geen Amerikaanse veteraan uit het hippietijdperk, maar de Marokkaanse schrijver Fouad Laroui. Sinds 1996 zijn van zijn hand drie speelse, satirische romans verschenen over het migrantenleven, waarin ontheemding, tolerantie en identiteit een grote rol spelen. Het is dan ook niet zo vreemd dat Laroui ter gelegenheid van de boekenweek een essay heeft geschreven met de titel Vreemdeling: aangenaam, waarin hij alle facetten van het vreemdeling-zijn aan een nauwkeurig, persoonlijk onderzoek onderwerpt.

Laroui (Oujda, 1958) werkt en woont in Nederland, maar schrijft zijn romans in het Frans, zijn `tweede' taal, die zijn leven in veel opzichten heeft bepaald. ,,Mijn vader, die bij de posterijen werkte, had zoveel bewondering voor de Franse taal en cultuur dat hij er alles aan deed om zijn kinderen op het Frans lyceum in Casablanca te krijgen'', zegt hij met een licht Frans accent. ,,Dat was het beste onderwijs dat je kon krijgen. Je leerde er kritisch te zijn en over alles vragen te stellen.''

In 1969, toen Laroui in de eerste klas van het Frans lyceum zat, verdween zijn vader. Pas veel later zou blijken dat hij door de geheime politie was ontvoerd en vermoord, omdat hij een vakbondsactivist was. ,,Op een dag ging hij de krant halen en hij is nooit terug gekomen'', zegt Laroui. ,,Ik ben de laatste die hem gezien heeft. Ik herinner me nog dat hij sandalen droeg. Zeven maanden na zijn verdwijning kwam de politie ons vertellen dat ze hadden ontdekt dat hij naar Marrakesh was gegaan. Dat was natuurlijk grote onzin. Marrakesh was 300 kilometer van ons dorp vandaan. Als je daarheen gaat, doe je dat niet op sandalen.

,,In die dagen kon je er in Marokko niet hardop over praten. Af en toe zag ik wel een familielid huilen, maar er werd niets gezegd. Het was een vreselijk systeem vol willekeur en angst. Op het lyceum was het daarentegen bon ton om hardop te zeggen wat je dacht en lekker kritisch te zijn. Maar nadat mijn vader was verdwenen begonnen de mensen om ons heen tegen mijn moeder te zeggen dat ik me koest moest houden. Gelukkig was ik een teruggetrokken kind en zat de hele dag met mijn neus in de boeken.''

Laroui's verblijf op lyceum werd bekostigd door de Franse regering, die hem na zijn eindexamen in staat stelde verder te studeren in Parijs. Daar ging hij naar de prestigieuze École nationale des ponts et chaussées, waar hij de graad van civiel ingenieur haalde. Vervolgens werkte hij als wetenschappelijk onderzoeker aan de École des mines, totdat hij `per ongeluk' in Nederland belandde.

,,Frankrijk is een deel van mezelf'', zegt hij. ,,Zo zie ik bepaalde dingen op straat alleen omdat Rimbaud ze zo heeft beschreven. Op die manier ben ik Franser dan de Fransen. Maar ik vond het heel vervelend als een Parijse taxichauffeur me liet voelen dat ik helemaal geen Fransman was en hij wel, omdat hij nu toevallig Jean Dupont heette. Ik ben me toen voor het eerst bewust geworden van wat het is om vreemdeling te zijn. En omdat ik me vreemdeling bleef voelen, had ik geen zin meer om nog langer in Frankrijk te blijven. Ik ben toen teruggekeerd naar Marokko, waar ik een goede baan als ingenieur vond en een prettig leventje leidde. Ik woonde in een enorme villa en had drie auto's. Maar na een paar jaar kwam ik erachter dat het nog erger is om vreemdeling te zijn in je eigen land. Het was een diepe schok voor me.''

Laroui keerde terug naar Parijs, waar hij economie ging studeren. ,,Ik wilde begrijpen hoe de wereld in elkaar zat. En omdat economie in Frankrijk een allesomvattende studie is, dacht ik dat het me op die manier zou lukken.''

Vakantie

In 1989 was Laroui met vakantie in Nederland. Hij solliciteerde er en passant naar een baan bij de Stichting Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam en werd prompt aangenomen. Het leven in Nederland beviel hem zo goed dat hij zich in 1995 liet naturaliseren, al vertrok hij nog hetzelfde jaar naar Engeland om er aan de universiteit van York te gaan werken.

,,Ik wilde de Engelse taal en cultuur van binnen kennen'', zegt hij. ,,En daarom dacht ik dat je er moest wonen. Maar ik miste Amsterdam en ben er na drie jaar weer teruggekeerd. In Nederland had ik in het begin altijd mijn paspoort bij me, voor het geval ik gecontroleerd zou worden. Toen ik dat aan een vriendin vertelde lachte ze me uit en zei dat zoiets hier nooit gebeurt. Vervolgens ben ik zonder paspoort op zak over de grachten gaan wandelen en heb ik voor het eerst echt ervaren wat vrijheid is.''

Inmiddels is de intellectuele veelvraat Laroui onderwijsdirecteur van het Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit. Hij woont in een krap benedenhuis in de Amsterdamse Pijp en spreekt vloeiend Nederlands. ,,Ik beschouw het als een vorm van beleefdheid om de taal te leren van het land waar je woont. Ik begrijp dan ook niet dat mensen die meer dan twintig jaar in Nederland wonen de taal niet kennen. Ik heb Nederlands geleerd door iedere avond met het woordenboek NRC Handelsblad te lezen en naar het Journaal van acht uur te kijken. Ik zei dan hardop na wat er werd gezegd. Verder keek ik naar soaps als Goede tijden slechte tijden en volgde ik alle Nederlandse series, waarvan ik Pleidooi de beste vond.''

Met de Nederlanders zelf had hij meer moeite. Hij vond hen in eerste instantie hoekig en onbeschoft. ,,Ik heb wel aan ze moeten wennen. In het begin dacht ik wel eens dat bepaalde collega's op de universiteit een hekel aan me hadden. Maar op een gegeven ogenblik kwam ik erachter dat het hun manier van praten was, heel bot, recht toe recht aan. Maar ze waren tegelijk heel open en geïnteresseerd in andere culturen.''

Laroui leidt geen druk sociaal leven. De meeste mensen die hij tegenkomt, ontmoet hij via zijn werk op de universiteit. Hij is geen kroegtijger, eet 's avonds meestal in de mensa en beweert nog nooit een espressobar van binnen te hebben gezien. Die vrijwillige afzondering bevalt hem goed, omdat hij wil lezen en schrijven. ,,De afgelopen tien jaar zat ik tijdens oud en nieuw bijna altijd gewoon thuis met een boek en een grote pot thee.''

Zijn eerste roman, Les dents du topographe (1996), werd in Frankrijk met de Prix Albert Camus Découverte bekroond. Het is het tragikomische verhaal van een Marokkaanse jongen, die door zijn opleiding aan een Franse school in Casablanca van zijn milieu is vervreemd en worstelt met zijn identiteit. Hij voelt zich meer Fransman dan Amerikaan en vertrekt uiteindelijk naar Parijs, de stad van de grote belofte. Aan de hand van zijn belevenissen krijgt de lezer een absurdistisch beeld voorgeschoteld van de bekrompen Marokkaanse samenleving. ,,Ik wilde op papier zetten waarom ik in Marokko een fantastische baan had opgegeven om als vreemdeling door het leven te gaan. Waarom ik was weggegaan om in een klein huisje in de Pijp te belanden, waar ik niet eens iemand kan ontvangen.

,,Zoals een heleboel mensen had ik op mijn veertiende wel eens gedroomd dat ik een beroemd schrijver zou worden. In Amsterdam ben ik er pas echt mee begonnen. Overdag werkte ik op de universiteit en 's avonds en in het weekend schreef ik. Het was een soort therapie, want toen mijn verhaal eenmaal op papier stond, kon ik verder leven zonder voortdurend te moeten piekeren. Aanvankelijk zag het ernaar uit dat het manuscript levend begraven zou worden. Maar toen ik naar Engeland ging en bezig was mijn boeken in te pakken, kwam ik het weer tegen en besloot ik toch een poging te wagen het uitgegeven te krijgen, omdat ik wilde weten wat het waard was. Ik stuurde het naar vijf grote Franse uitgevers en binnen twee weken was er een die enthousiast reageerde.''

Hilarisch

Het was vooral Laroui's bijzondere stijl die de doorslag had gegeven om het manuscript uit te geven. Die stijl is zonder meer vernieuwend. Laroui schrijft hilarisch, mengt alle stijlen door elkaar en drijft voortdurend de spot met de achterlijke Marokkaanse samenleving. Ook verzint hij woorden, doorspekt hij zijn zinnen met argot en laat hij zijn verteller zich soms rechtstreeks tot de lezer richten. ,,Voor mij was die stijl heel spontaan. Ik had geen zin om heel klassiek te schrijven. Het manuscript was tenslotte voor mijzelf bedoeld. Ik heb het geschreven zoals ik zelf dacht.

,,Eén van mijn grote voorbeelden was Céline. Zijn stijl was voor mij een bevrijding en liet me zien dat je kon schrijven zoals je dacht en je je woede precies zo kon uitdrukken als je wilde. Schrijven is tenslotte een manier om je vrijheid uit te drukken. Daarom is het zo belangrijk dat je schrijft in je eigen stijl. Je moet jezelf durven zijn. De grootste romans hebben bewezen hoe je vrijheid kunt gebruiken, hoe je vrij kunt zijn door te schrijven. Kijk maar naar Voltaire en Diderot, twee van mijn andere helden.''

In Laroui's derde roman, Méfiez-vous des parachutistes, komt een scène voor waarin Marokkaanse douaniers in de bagage van de ik-figuur een foto van de schrijver Nabokov vinden. Ze vragen hem wie de man op die foto is en als de verteller dat zegt, wordt hij meteen gearresteerd. Het is Laroui zelf overkomen. ,,Ik werd in Tanger gearresteerd omdat ik aantekeningen had gemaakt over Nabokovs analyse van Madame Bovary. De hele nacht ben ik verhoord door de geheime politie. Het was 1985, de Sovjet-Unie bestond nog. Het was de grote vijand. En omdat Nabokov een Russische naam had, was hij ook een vijand. Op dat moment viel er niets te lachen, omdat ik besefte dat niemand wist dat ik gearresteerd was. Als ik toen was verdwenen, had niemand het gemerkt.''

Bijgeloof

Een enkele criticus noemde Laroui's romans politieke pamfletten, omdat de schrijver zich soms rechtstreeks tot zijn lezer richt om zijn verontwaardiging te laten blijken. Onzin, zegt de Laroui. ,,Mijn boeken zijn in de eerste plaats romans en die zijn veel efficiënter dan een pamflet. In een roman geef je alle aspecten van een vraagstuk weer aan de hand van verschillende personages. Er is een schijn van objectiviteit, maar tussen de regels door weet je precies wat de schrijver bedoelt. Als het heel serieus wordt en je het over essentiële vragen hebt, laat ik de verteller rechtstreeks iets tegen de lezer zeggen, omdat ik vind dat een roman maar tot op een zekere hoogte iets kan uitleggen. In mijn roman Judith en Jamal [gaat over de verboden liefde tussen een Marokkaanse jongen en een joods meisje, MK] laat ik me op die manier uit over het bijgeloof. Ik maak me daar boos over, omdat het mensen belemmert te denken en het zo sterk aanwezig is in Arabische landen.''

Laroui maakt zich ook druk over de identiteitsproblematiek van de kinderen van de eerste generatie gastarbeiders. Een van de grote belemmeringen voor hun ontwikkeling is volgens hem dat ze zich niet durven losmaken van de groep waartoe ze menen te behoren. ,,Als ze vijftien of zestien zijn, ontdekken ze ineens dat er iets niet klopt. Iemand is bijvoorbeeld in Osdorp geboren en heet Mohammed Achmed Kadar. Als hij zich afvraagt wie hij is, dan luidt het antwoord meestal `Marokkaan', terwijl hij niets van dat land afweet, en `moslim', terwijl hij de Koran niet kent. Maar aan dat dunne vernis moet je niet komen, want het is het enige dat ze hebben. Als je er tegenin gaat, word je onmiddellijk uitgescholden en van verraad beschuldigd. Er schuilt een psychologische angst achter. Daarom zeg ik: jongens, als jullie willen dat de wereld jullie serieus neemt, dan moeten jullie moderne mensen worden en niet denken wat de menigte of de groep wil. Het gaat erom wat jíj, als individu, denkt.

,,Voor mezelf heb ik besloten om alle facetten van mijn individu of identiteit gewoon te accepteren. Als je dat doet heb je geen probleem meer. Op een gegeven moment zeg je oké, ik ben Fransman, omdat ik zo doordrenkt ben van de Franse taal en cultuur. Maar ik ben ook Marokkaan, omdat ik in Marokko ben geboren, een Marokkaanse vader en moeder heb, een Marokkaans paspoort bezit. En ik vind het ook fantastisch om Nederlander te zijn en in Amsterdam te wonen. Zo moeilijk is het niet.''

Binnen de Arabische wereld wordt daar vaak toch anders over gedacht. Laroui haalt het voorbeeld aan van Tahar Ben Jelloun, een Marokkaanse schrijver die in Parijs woont en net als hij in het Frans schrijft. ,,Hij wil dat in al zijn boeken iets Arabisch, iets Marokkaans zit, omdat hij bang is als een afvallige te worden gezien. Maar wat betekent dat eigenlijk? De grootste schrijvers waren toch altijd in conflict met hun eigen cultuur of maatschappij? Waarom zouden wij dat dan ook niet mogen zijn?''

Ook Laroui is uitgemaakt voor een fetisjist van de Europese cultuur. Maar hij trekt zich er niets van aan. ,,Bach en Rimbaud hebben niets met Europa te maken, maar zijn universeel. Een cantate van Bach is de hoogste vorm van de kunst. Mensen die van Bach houden hebben een sterkere basis voor een vriendschap dan zij die hetzelfde paspoort hebben.''

Zowel het essay 'Vreemdeling: aangenaam' als de door Frans van Woerden vertaalde romans `Méfiez-vous des parachutistes'