Vlinders, niet vastgepind

De Boekenweek die aanstaande woensdag begint, staat in het teken van `schrijven tussen twee culturen'. Nederland beleeft een hausse aan getalenteerde jonge auteurs met een buitenlandse achtergrond. Maar hoe ontsnappen ze aan het wensdenken van hun sympathisanten en zaakwaarnemers?

Hoe voelt het om een schrijver tussen twee culturen te zijn?

Wanneer ik me dat afvraag, dringen zich drie scènes op. De eerste: ik sta in Museum Boymans Van Beuningen te praten na een forumdiscussie over een verheffend onderwerp, vijftig jaar rechten van de mens, zal het geweest zijn, ter begeleiding van een expositie met kunstwerken van over de hele wereld om dat thema artistiek te onderstrepen, en er komt een lange Rotterdammer van midden vijftig aangelopen. Hij heeft een spijkerpak aan en draagt een ziekenfondsbrilletje. Daardoor lijkt hij jongensachtig, maar zijn gezicht heeft verbeten trekken. Hij legt zijn hand stevig op de schouder van de uit Oeganda afkomstige romancier Moses Isegawa en tettert in zijn oor: ,,Echt jongen, ik vind het zo goed dat jullie erbij gekomen zijn! Die hele Nederlandse literatuur stelde niets meer voor. Vreselijk man, totdat jullie kwamen.' Isegawa mompelt beleefd iets terug. De man vat het op als een aanmoediging en steekt van wal over hoe verschrikkelijk het is om Nederlander te zijn. Toen Srebrenica viel, dat mag Isegawa best weten, schaamde hij zich voor zijn eigen nationaliteit.

Scène twee speelt zich eveneens enkele jaren geleden af. Salman Rushdie bezoekt Amsterdam, onverwachts en nog door omzichtigheid omgeven, vanwege de fatwa die tegen de schrijver is afgekondigd. In het centrum voor cultuur en politiek, de Balie, ontmoet hij een bonte verzameling schrijvers en journalisten, die door de toenmalige directeur, Chris Keulemans, inderhaast zijn opgetrommeld. Er vindt een onwennig gesprek plaats, onwennig van de kant van de genodigden, want Rushdie zelf is na jaren van het bepleiten van zijn penibele zaak een volmaakte ambassadeur van zichzelf geworden.

We zitten in een grote halve cirkel om hem heen en opvallend is dat alle Nederlandse schrijvers die niet in Nederland geboren zijn, naast elkaar zijn gaan zitten. De meesten van hen zwijgen, behalve een wat oudere man, die met veel pathos van wal steekt over de verscheurdheid van de schrijver tussen twee culturen, de schrijver die ze zijn taal hebben afgenomen, de schrijver als balling, de schrijver die zijn wortels kwijt is en die zich nooit meer ergens thuis zal voelen. Naast hem zit een jonge schrijver, die ik ook niet ken. Hij kijkt steeds ongelukkiger. Zijn gezicht straalt uit alle macht één boodschap uit. Dit zijn niet mijn woorden, ik hoor hier niet bij. Hij leunt zelfs een beetje opzij om de afstand tussen hem en zijn buurman te vergroten. Naderhand, in het café, raken we in gesprek. Hij blijkt de schrijver van een verhalenbundel en is van Marokkaanse afkomst. Zijn naam is Hafid Bouazza.

De derde en laatste scène is de meest recente: hij speelt zich een kleine twee maanden geleden af. Het literair festival Winternachten, dat in Den Haag wordt gehouden, heeft als thema schrijvers in de diaspora. Het festival eindigt met een grote discussie over dat ongrijpbare onderwerp, waaraan alle schrijvers meedoen die tijdens het festival hebben opgetreden. Wij zitten in een grote halve cirkel op een podium, in de zaal zitten vooral aandachtige dames.

Dit keer ben ikzelf degene die zich ongemakkelijk mag voelen, want behalve een Pools-joodse overgrootvader die als economische vluchteling in Nederland is blijven hangen, en aan het einde van de Duitse bezetting aan ouderdom is overleden, heb ik hier geen eigen ervaringen in te brengen. Ik ben onmiskenbaar geworteld. Net als de dichter en poëzie-vertaler Jan Eijkelboom, die ook aan het forum deelneemt en zich verontschuldigend voorstelt als een Hollandse eigenheimer, a Dutch potato. Maar de anderen! Twee schrijvers uit India die nu in Engeland wonen, een uit Suriname, een van St. Maarten, een uit Liberia, twee uit Zuid-Afrika, de laatste blanken weliswaar, maar toch. Allen bevinden zich tussen minimaal twee culturen, ieder van hen heeft reden genoeg om zich wanhopig verscheurd te voelen. Maar anders dan in het geval van de allochtone schrijver tegen Salman Rushdie een paar jaar daarvoor, is de toon van het gesprek allerminst pathetisch. Hier zitten geen slachtoffers, geen gekneusde zielen. Over die positie tussen twee of meer culturen wordt vooral gesproken in termen als rijkdom, de wijde blik waarmee zowel naar het land van herkomst als naar het nieuwe thuisland wordt gekeken, en de zuivere winst voor de schrijver die dat oplevert. Niemand zegt dat hij zich ontheemd voelt. Althans, niet cultureel, want een beetje schrijver voelt zich natuurlijk altijd ontheemd, anders zou hij niet schrijven.

Onder die bijna gezapige oppervlakte spelen wel degelijk felle emoties, blijkt al snel, de dichter van St. Maarten weigert in het openbaar Nederlands te spreken, omdat die vreemde taal hem opgedrongen is, terwijl de schrijfster die in Suriname werd geboren, juist weigert iets anders dan Nederlands te spreken, omdat het een bedreigde taal zou zijn. Wanneer de dichter van St. Maarten naar zijn donkere forumgenoten verwijst, heeft hij het steevast over the brother. Maar dat is een ingesleten gewoonte, zegt hij mild, wanneer hem gevraagd wordt waarom hij bijvoorbeeld gespreksleider Michaël Zeeman niet met the brother aanduidt, daar moet je niet te veel achterzoeken. Een van de schrijvers uit India beschrijft zijn jeugd in het Engeland van Margaret Thatcher als een racistische hel, maar de toon is eerder laconiek dan klagelijk. Waar iedereen zich zorgvuldig voor hoedt, is hoofdpersonage te worden in een multicultureel lijdensverhaal, waarin martelaarschap als vanzelf tot een staat van uitverkorendheid leidt.

Want de schrijver tussen culturen is in de mode, dat beseffen auteurs op het podium heel goed. Hun multiculturele identiteit is niet langer iets dat zich ophoudt in de schaduwen van de westerse samenleving, onopgemerkt, genegeerd of bespot – integendeel, het is het perfecte postmoderne literaire uithangbord, een overtuigend selling point. Hun werk wordt in hun nieuwe thuisland over het algemeen met open armen ontvangen, ook al gaat dat gepaard met links-paternalistische schouderklopjes, zoals die van de Rotterdammer in spijkerpak, die Moses Isegawa met jullie aansprak. Er zijn ontelbare festivals als Winternachten georganiseerd, er worden congressen met hen en over hen gehouden, er is in iedere commissie een plaatsje voor hen ingeruimd, ze worden onderdeel van het regeringsbeleid, hun positie wordt het feestthema van het Boekenbal. Schrijvers tussen culturen zijn net zo in als vrouwelijke schrijvers dat vijftien jaar geleden waren. Ieder goed boek dat ze schrijven wordt uiteraard gezien als kunst, als literatuur, natuurlijk, maar toch nog liever als een sociaal statement.

Geweldig, weer een Marokkaanse schrijver erbij! Mooi jongen, maak er nog maar een! Waar blijven de Turken toch?

Het is een zegen, die aandacht, en je zult als schrijver wel gek zijn om al die uitnodigingen af te slaan, en je wordt tenminste gelezen. Daarbij is het helemaal niet erg wanneer goede schrijvers ook nog eens in de mode zijn, en de slechte worden toch weer snel vergeten. Maar het lijkt me ook een last. Want de paradox van het multiculturele positivisme wil dat juist de vertegenwoordigers van de dominante cultuur die dag en nacht klaar staan deze `nieuwe' schrijvers met open armen te ontvangen, er het meest aan gelegen is ze gevangen te houden in het sociale harnas dat bij hen voor identiteit doorgaat. Anders gezegd, in hun ogen is een Marokkaans-Nederlandse schrijver toch vooral een Marokkaanse schrijver, en of hij maar aan dat beeld wil blijven beantwoorden. Ergens in de jaren zeventig heeft bij links Nederland de absurde notie postgevat dat muticultureel zo ongeveer hetzelfde betekent als exotisch, en met de gevolgen van die denkfout worden de schrijvers tussen culturen nog vrijwel dagelijks geconfronteerd. Wij zijn saai, wij hebben behoefte aan nieuw bloed, jullie komen dus als geroepen. Maar dan moeten jullie wel beantwoorden aan het exotische beeld dat wij van jullie hebben. Jullie moeten vooral niet op ons gaan lijken. En van schrijvers tussen twee culturen wordt verwacht dat ze schrijven over twee culturen.

Zo'n houding, de houding van de man in spijkerpak, is erger dan openlijk racisme, omdat ze wordt aangekleed met de blijmoedige taal van de goede bedoelingen. Het lijkt vaak op pure liefde, maar het is de liefde van de stalker. In een ontkerstende, volledig genivelleerde samenleving is de honger naar exotica onstilbaar, en wee de schrijver tussen twee culturen die weigert te leveren op bestelling.

Voor de jonge schrijvers die afkomstig zijn uit grote emigratielanden komt daar nog iets pijnlijks bij, omdat ze ook nog eens gezien worden als vertegenwoordiger van een bevolkingsgroep waarmee het sociaal maar niet mee wil vlotten. Zij worden hardhandig geknuffeld door de mensen die geen onderscheid maken tussen kunst en cultuur, die helemaal niet in kunst als kunst geïnteresseerd zijn, alleen in de sociale werkelijkheid. Kunst is voor hen een schatkamer – van de sociologie. Zij zien geen wezenlijk verschil tussen een roman van een Turkse schrijver die in Nederland woont en een nieuw Turks restaurant bij hen om de hoek. Het is allemaal even fijn dat het gebeurt, en als het niet vanzelf gebeurt dan moet er gewoon wat welzijnswerk tegenaan gegooid worden, dan komt het wel goed. Zulke mensen, politici allereerst, de vertegenwoordigers van minderhedenorganisaties, de organisatoren van symposia en forumdiscussies over leven tussen twee culturen, is er alles aangelegen de successen van deze schrijvers als het resultaat van sociaal-cultureel werk te zien. Daarom moeten deze nieuwe schrijvers vooral vastgeklonken blijven aan hun zogenaamde culturele identiteit.

Opnieuw openbaart zich een eigenaardige dubbele moraal, een restant van een sleets progressief gedachtegoed: waar het in het westen al snel verdacht wordt wanneer een natie of volk het eigene al te hartstochtelijk gaat koesteren, of wanneer kunstenaars hun kunst al te nauw verbonden zien met de volksgeest (bijvoorbeeld Wagner en de Duitse cultuur), zo wordt schrijvers die behoren tot minderheden min of meer opgedragen hun lot en werk aan een gemeenschap te verbinden. Koester het eigene! Laat je niet door ons corrumperen! Blijf jezelf – met andere woorden, blijf zoals wij jullie het liefste zien.

Dat beeld van de schrijver tussen twee culturen valt gemakkelijk te ontmaskeren als een laat-romantische, westerse fantasie, die even hartstochtelijke als tegenstrijdige wensdromen in zich verenigt. Zo'n schrijver spreekt tot de verbeelding omdat hij werkelijk heeft geleden, hij kan echte littekens laten zien. Zijn achtergrond is een cultuur die tegelijk als sprookjesachtig èn authentiek gezien kan worden, dromerig exotisch èn vormvast. Aan de andere kant is hij een banneling, die zijn land van herkomst heeft moeten verlaten, vandaar die littekens. Maar juist zijn pijnlijke ontworteling maakt hem ook tot een Nieuwe Mens, een symbool van postmoderne ongebondenheid. Zijn persoonlijkheid is zwevend geworden, zodat hij het beste uit vele werelden in zich kan verenigen, zonder ooit ingesnoerd te raken, zonder ooit vast te roesten. Zodoende bevindt hij zich op het snijpunt van de twee grote westerse, culturele verlangens: het verlangen naar authenticiteit, naar een vaste band tussen een mens en zijn cultuur, en het verlangen naar de totale vrijheid, een sublieme wendbaarheid, een kwikzilverachtig talent voor metamorfose en transformatie. Hij is dus eigenlijk geworteld en ontworteld tegelijk. Dat die twee beelden elkaar uitsluiten, het maakt niet uit, daar is het een fantasie voor.

Het is Salman Rushdie geweest die de migrant tot Nieuwe Held in een verknipte wereld heeft uitgeroepen, de man die door harde omstandigheden gedwongen wordt zich te ontpoppen, maar die daardoor toch maar mooi in een fantastische vlinder verandert. Dat was een briljante zet, die van traditionele slachtoffers in één klap voorhoedevechters maakte, boodschappers van een nieuwe tijd. Het was vooral ook een literair beeld, opwekkend bedoeld, half reëel, half wishful thinking. In het mooie, rapsodische essay dat Hafid Bouazza schreef ter gelegenheid van de Boekenweek, Een beer in bontjas, gaat hij een stap verder: hij ontslaat de migrant-schrijver van iedere sociale verplichting. Goedmoedig, in zwierige zinnen, ontworstelt hij zich aan de greep van de goedbedoelenden die hem tot stereotiep exotisme willen dwingen, of tot multiculturele spreekbuis. Uit alle elementen van de culturen waarin hij zich heeft bevonden, heeft hij zijn eigen cultuur gemaakt, luidt de strekking van Bouazza`s essay, en daarin vindt een verdere ontpopping plaats, die van verbeelding. Dat is het enige wat deze schrijver wenst te vertegenwoordigen. Maar leg dat maar eens uit aan de politici die kunst zien als een voortzetting van sociaal beleid met andere middelen, of aan de smachtende vrouwen en mannen die in Bouazza de zuivere Marokkaan wensen te zien: `Waar we werkelijk nieuwsgierig naar zijn, is hoe verbeelding te werk gaat. Maar dat is niet uit te leggen. We weten nu eenmaal niet wat voor dromen een rups in zijn cocon heeft voordat hij vlinder wordt, maar we hoeven die dan ook niet te kennen om het gevleugelde wonder te genieten. Als het een goocheltruc was, konden we het uitleggen. Als het magie is, dan is magie alleen te verklaren aan de hand van magie. En ik vrees dat dat is wat ik hier aan het doen ben.'

Bouazza heeft groot gelijk, maar heb ik deze verdediging van de autonomie van de schrijver, het primaat van de verbeelding niet eens eerder gehoord? Klinken in al die kritische geluiden die ikzelf hierboven heb laten horen over de gedwongen vereenzelviging van de schrijver met `zijn' cultuur, een achterban die bestaat uit mensen zoals hijzelf, niet echo's uit het verleden door?

In ons land en daarbuiten begint ieder emancipatorisch proces met politiek engagement en eindigt het in folklore. Tijdens dat proces wordt op de schrijver die herkenbaar tot een minderheid behoort voortdurend een beroep gedaan, zijn bedje wordt voor hem gespreid, maar hij moet liggen op een matras vol politieke bevlogenheid, onbewuste fantasieën over het uitheemse, en de sociale rancune van zijn vermeende achterban. Wanneer de emancipatie voltooid is, verandert het maatschappelijke strijdtoneel, onherroepelijk en sneller dan je voor mogelijk houdt, in een gezellige culturele braderie. Dan pas krijgt de schrijver zijn vrijheid terug, keert het besef terug dat literatuur werkelijk magie is, dat leven schept in plaats van beschrijft. Dat proces heeft plaatsgevonden met homoseksuelen in Nederland, met het feminisme, en het gebeurt nu met de schrijvers tussen twee culturen.

De afkeer die Bouazza toont voor degenen die de vlinder van zijn verbeelding willen vastpinnen achter glas, wordt publiekelijk gedeeld door de meeste jonge schrijvers van allochtone afkomst. De meeste van hen laten zich niets of weinig meer gelegen liggen aan de multiculturele dwangbuis die voor hen klaarligt, naast hun persoonlijke ervaringen staat de hele wereld tot hun beschikking; ze accepteren slechts de aandacht voor hun werk. Daarom is het ook zo goed dat de CPNB dit jaar het schrijven tussen twee culturen tot thema van de Boekenweek heeft gemaakt. Van alle thema's van de voorafgaande jaren is ná de Boekenweek namelijk nooit meer iets vernomen – van God niet, van het Nederlandse landschap niet, van de klassieken niet. Hetzelfde zal gebeuren met de schrijver tussen twee culturen.

De vrijheid lonkt.

Hafid Bouazza: Een beer in bontjas. Boekenweekessay.

Stichting CPNB, 64 blz. ƒ4,95.

Verkrijgbaar vanaf 14 maart.

Meer aandacht voor het thema van de Boekenweek:

Pagina 3: Reportage over Marrokaans-Nederlandse schrijvers en Het beslissende boek van: Bouazza.

Pagina 6: Recensie van `Woede', het Boekenweekgeschenk van Salman Rushdie.