Van Oijen leverde onprofessioneel prutswerk

Onlangs werd de huisarts Wilfred van Oijen door de rechter veroordeeld wegens het ter dood brengen van een reeds stervende bejaarde patiënte. Het ging hier niet om euthanasie (dood op verzoek van de patiënt bij uitzichtloos lijden) maar om stervensverkorting door een medische handeling. Het medisch tuchtrecht had hem, eerder, vrijgesproken gezien de omstandigheden.

In het interview met deze krant van 3 maart over deze zaak maakt Van Oijen er in een aantal opzichten een potje van: waarom dit onoverzichtelijke gerommel, die bijelkaar gegraaide argumentatie en vooral die zo nadrukkelijk uitvergrote emotionele nood van de dokter?

Gegeven de situatie van een stervende, doodzieke vrouw met een niet meer te peilen mening had hij kunnen afgaan op de mening van de familie (die de wens van de stervende had kunnen vertolken) en alsnog een normale euthanasieprocedure kunnen inzetten. Consulteren van een tweede arts, informeren van de dienstdoende GGD- arts en zorgen voor adequate medicijnen via een apotheker: 1,5 tot 2,5 uur werk en wat telefoontjes. De situatie bestond al zo lang dat enige anticipatie van de dokter verwacht had mogen worden.

In noodsituaties is melding bij de dienstdoende GGD-arts en eventueel consultatie van de dienstdoende officier van jusitite over de geldigheid van de noodsituatie en het op voorhand toetsen van de gedachte procedure een mogelijkheid. Op deze wijze had hij jurisprudentie kunnen bevorderen in een situatie die niet voldeed aan de voorwaarden voor normale euthanasie.

In plaats daarvan schreef hij valium voor om onrust te bestrijden (werd niet gegeven, bleek later) en ook liet hij ampullen fenobarbital achter om in te laten spuiten (door anderen, die dat niet aandurfden). Waarom controleerde Van Oijen niet beter wat zijn patiënte kreeg en wat niet? Hoe kan hij nu een oordeel hebben gehad over haar toestand als naar zijn eigen zeggen pas veel later uitkwam dat patiënte de voorgeschreven medicijnen niet kreeg? Wanneer hij verantwoordelijk was voor het medisch reilen en zeilen van zijn patiënte dan had hij ook zelf de injecties moeten toedienen of de toediening controleren.

Onder druk van de omstandigheden spoot hij een spierverslapper (alloferine) in om, zoals hij zei `de hartspier stil te leggen.' Alloferine is een spierverlammend middel dat onder meer de ademhalingsspieren stillegt, maar niet de hartspier: die klopt gewoon door, De patiënt is na inspuiting geheel verlamd, stopt met ademhalen en sterft, tenzij beademd, aan zuurstofgebrek van de hersenen. Als het coma niet diep genoeg is, is het niet zeker of een patiënt de verstikkingsdood door alleen het geven van alloferine toch nog kan ervaren. Het hart pompt in de meeste gevallen nog een tijd door, de zuurstof verdwijnt uit de circulatie en de patiënt wordt blauw. Door het toedienen van het hartvergif kaliumchloride stopt de hartspier, staakt de bloedsomloop, de patiënt wordt weer bleek en sterft.

De uitleg in het interview door hemzelf laat maar één oordeel toe: het was geen euthanasie, geen goede dood, maar onprofessioneel prutswerk. Een voorwaardelijke veroordeling wegens moord vind ook ik een te harde uitspraak. Maar een taakstraf wegens onoordeelkundig toedienen van medicijnen en een verplichte applicatiecursus voor beginners zou op zijn plaats zijn.

Dr. C.H.H. ten Napel is internist.

goede dood