We wisten het niet

Nederlanders wisten tijdens de Tweede Wereldoorlog niets van de Holocaust, concludeert Bart van der Boom na onderzoek van oorlogsdagboeken. Vermoedens ja, maar kénnis? In een boek corrigeert hij het beeld van de Nederlander als laffe toeschouwer bij de uitroeiing van de Joden.

Nederlands gezin, 1943. Foto MAI/Hollandse Hoogte

We stonden erbij, en we keken ernaar. Terwijl de Duitsers honderdduizend Nederlandse Joden oppakten en afvoerden, haalde de rest van de bevolking de schouders op – ongeïnteresseerd, laf. We lieten het gebeuren, terwijl we wisten wat de Joden in Polen te wachten stond.

Dat is anno 2012 het algemeen geaccepteerde beeld van de Nederlandse houding tegenover de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar dat beeld klopt niet, laat historicus Bart van der Boom, verbonden aan de Universiteit Leiden, zien in zijn vandaag verschenen boek ‘Wij weten niets van hun lot’. Hij noemt deze collectieve herinnering „een mythe”. Nederlanders waren wel degelijk begaan met het lot van de Joden, zegt hij, maar ze wisten niet dat Joden naar vernietigingskampen werden afgevoerd.

Van der Boom bestudeerde honderden dagboeken van ‘gewone’ Nederlanders’ om erachter te komen wat precies bekend was over wat er gebeurde met de Joden nadat zij waren gedeporteerd. Zijn conclusie: Nederlanders wisten niet van de Holocaust.

Al sinds het einde van WO II woedt de discussie over de vraag hoeveel schuld Nederland heeft aan de dood van honderdduizend Joodse landgenoten. In de eerste jaren na de bevrijding was er relatief weinig aandacht voor het lot van de Joden en leek het of iedere Nederlander in het verzet had gezeten. In de jaren zestig veranderde dat beeld. Van der Boom: „Dat kwam voort uit een oprecht verlangen om ons verleden onder ogen te zien, maar we zijn daarin doorgeschoten. De collectieve herinnering is nu: wij waren slappelingen.”

En dat vindt hij een karikatuur van de werkelijkheid. „Een collectieve herinnering is helder, zonder veel nuances, en moralistisch en eenduidig. Voor lespakketten op school is dat misschien handig, maar voor goede geschiedschrijving is het funest dat een deel van het verleden met taboes is omgeven.”

Van der Boom liep al rond met het idee voor een boek over dit onderwerp, toen in 2006 Tegen beter weten in. Zelfbedrog en ontkenning in de Nederlandse geschiedschrijving over de jodenvervolging van Ies Vuijsje verscheen. Vuijsjes conclusie: de Nederlandse bevolking was al voor het einde van 1942 op de hoogte van het lot dat gedeporteerde Joden te wachten stond. Het zette Van der Boom aan tot schrijven. „Het boek van Vuijsje is erg slecht”, zegt hij. „Hij citeert selectief en tendentieus uit zijn bronnen, enkel de passages die in zijn betoog van pas komen. Ik wilde niet dat dit het definitieve boek was over zo’n beladen onderwerp.”

Om erachter te komen wat de gewone Nederlander wist over de Holocaust en hoe hij dacht over het lot van de Joden, onderzocht Van der Boom dagboeken uit de bezettingsjaren. Er zijn ongeveer 3.000 dagboeken uit de oorlog overgeleverd, onder meer ondergebracht bij het NIOD. Daarvan zijn er 164 in zijn boek terechtgekomen. Veel dagboeken vielen af omdat ze maar over een korte periode gaan – de meidagen van 1940, de slag om Arnhem – of allleen over zaken als de voedselprijzen. Van der Boom: „Ik was op zoek naar mensen die een langere periode beschreven en brede aandacht hadden voor de wereld om zich heen. Dan blijven er maar een paar honderd dagboeken over. Daarvan heb ik een selectie gemaakt. Die is niet representatief voor de bevolking, maar wel gevarieerd. Er zitten relatief veel hoogopgeleide stedelingen bij, maar ook middenstanders, arbeiders en boeren.”

Van der Boom onderzocht de dagboeken op drie vragen: wat vonden de schrijvers van de anti-Joodse maatregelen, wat wisten ze precies over het lot van de Joden en hoe gedroegen ze zich?

Wat hem meteen opviel: alle schrijvers maakten zich enorm druk over de vervolging van de Joden. Van der Boom: „ Ze zagen de Jodenvervolging als een van de misdaden die de Duitsers het Nederlandse volk aandeden. Zelfs NSB’ers hadden er moeite mee.”

Dat wil niet zeggen dat Nederlanders in de jaren veertig dezelfde afkeer van discriminatie hadden als wij nu, zegt Van der Boom. „Eenderde van de dagboekschrijvers zei wel eens iets antisemitisch. Maar dat betekent niet dat ze de deportaties goedkeurden. Nederland zag zichzelf als een tolerant land, waar niet aan geloofsvervolging werd gedaan.”

Wat wisten de Nederlanders over wat met de Joden gebeurde nadat ze uit hun huizen waren gehaald en door de Duitsers op de trein naar Polen waren gezet? Het antwoord op die vraag is de kern van zijn boek, zegt Van der Boom. „Er is geen sprake van wéten. Ze hadden allerlei vermoedens, maar kennis hadden ze niet.”

Zeker, de vermoedens van de dagboekschrijvers waren zeer ernstig. Iedereen wist dat de Duitsers de Joden haatten. Van der Boom: „Men ging ervan uit dat de operatie tot doel had de Joden uit te roeien. De dagboekschrijvers veronderstelden dat de Joden onder slechte omstandigheden zwaar werk moesten doen, dat families uit elkaar werden gehaald en dat er in de werkkampen sprake was van slechte huisvesting en zorg.” Dat slechts een klein deel van de Joden werd tewerkgesteld en de meesten meteen na aankomst in een vernietigingskamp werden vergast, daar kwamen mensen niet op, zegt Van der Boom. „Dat konden ze zich niet voorstellen.”

Maar hoe zit het dan met de berichten over de ‘vernietiging’ en ‘uitroeiing’ van de Joden, zoals de illegale pers en Radio Oranje die verspreidden? Van der Boom: „Die termen hebben historici op het verkeerde been gezet. Wij denken bij termen als uitroeiing meteen aan Auschwitz. Maar dat deden de mensen die toen leefden niet. Die wisten niet dat zoiets als Auschwitz mogelijk was.”

Ook de Joden bevroedden niet dat hen de gaskamer wachtte, zegt Van der Boom. „Etty Hillesum schrijft bijvoorbeeld in haar dagboek: de Duitsers zijn uit op onze vernietiging. Maar een paar pagina’s verdop vraagt ze zich af welke schoenen ze het beste kan meenemen als ze op transport moet. Als ze concreet wordt, heeft ze het niet over Auschwitz, maar over een werkkamp waar het op den duur slecht zou aflopen.”

Maar dan dringt zich de vraag op: wat maakt het uit dat de Nederlanders niet wisten dat de Joden vergast werden, maar wel dachten dat ze zouden worden doodgewerkt? Dat is toch allebei verschrikkelijk?

Van der Boom: „Het verschil is cruciaal. Zware dwangarbeid was misschien te overleven; wie wist hoe lang de oorlog nog zou duren? En wie in Nederland onderdook of een onderduikplek bood, was er zeker van dat hij na ontdekking gedood zou worden.”

Veel Joden kozen er daarom voor niet onder te duiken en het in hun ogen kleinere risico te nemen om naar Polen te gaan. „Het is niet zo gek dat de niet-Joden datzelfde risicomijdend gedrag vertoonden. Misplaatst risicomijdend gedrag, weten we nu, want de kans om te overleven in de onderduik was zestig keer groter dan de overlevingskans in Polen. Als men dat had geweten, had men zich anders gedragen.”

Van der Boom verwacht flinke kritiek op zijn conclusies. „Mensen zullen zeggen dat ik probeer recht te praten wat krom is. Dat ik de oude mythe van Wir haben es nicht gewusst opwarm. Dat is niet zo. Ik heb me willen verplaatsen in de gedachten van de gewone Nederlanders in die tijd. Dan kun je ze weer zien als gewone mensen: geen helden, maar ook geen monsters.”

Bart van der Boom: ’Wij weten niets van hun lot’. Gewone Nederlanders en de Holocaust. Uitgeverij Boom 540 blz, € 29,90