Twee buren in onmin

Twee jaar geleden publiceerde de Roemeense dichteres Ana Blandiana, in het inmiddels ter ziele gegane Franse editie van Lettre internationale, een korte novelle met de titel: 30 januari 1980. Dat was de dag waarop er voorgoed iets in haar leven veranderde, de dag waarop zij aan den lijve doodsangst ervoer – een gevoel waarover zij tot dat moment alleen nog had horen spreken. Ze beschrijft het, aan de hand van haar hoofdpersoon, als een fysieke, bijna biologische ervaring: tijdens een bijeenkomst met communistenvrienden bij haar thuis, verschaffen drie vertegenwoordigers van de Securitate zich toegang tot haar huis en terroriseren de aanwezigen. Er breekt een snaar die al te lang in haar gespannen stond, iedere cel van haar lichaam knapt en verandert van chemische samenstelling: in een reflex staat ze op van haar stoel en rent weg. Pas daarna kan ze weer denken.

Het is een tekst waarin Blandiana samenbalt wat de in Transsylvanië geboren Nederlandse schrijver Stephan Lang in twee romans uit de doeken doet. Je zou kunnen zeggen dat Langs eerste boek, De Transsylvanische bruiloft, het verslag is van een vergelijkbare reflex en de consequenties daarvan; zijn tweede, De mollenjager, getuigt van meer afstand, meer reflectie; er worden vragen gesteld over schuld, over moed, over de keerzijde van gemaakte keuzes.

Woede

In 1975 vluchtte Stephan Lang, behorend tot de Hongaarse minderheid in Roemenië, voor de dictatuur van Ceausescu, via Boedapest naar Nederland: een met bedreiging en marteling gepaard gaande weg, die hij in romanvorm beschreef in De Transsylvanische bruiloft. Ook veel Roemeense schrijvers ontvluchtten in de vorige eeuw de repressie in hun geboorteland en verwierven elders bekendheid: Tristan Tzara, Panaït Istrati, Cioran, Eugène Ionesco, Norman Manea, Mircea Eliade – allemaal werden ze door fascisme of stalinisme in Exil gedreven, verruilden hun geboorteplaats voor Parijs en verkozen daarna veelal in het Frans te schrijven. Eén van Ciorans titels, die je nauwelijks los kunt zien van zijn eigen situatie, luidt De l'inconvénient d'être né (Over het nadeel van geboren te zijn), een bundel aforismen waarin hij met een opgeruimd soort negativisme getuigt van zijn existentiële wanhoop.

Bij Stephan Lang zelf lijkt van existentiële wanhoop geen sprake. Integendeel. In een aan Marina Tsvetajeva ontleend motto is er sprake van `ketens' die `lief zijn gekregen' en van `mijn verbanningsoord' dat `gezegend' wordt. Waar bij Lang wel sprake van is, is woede, verontwaardiging en onmacht – woede over historisch onrecht en over etnisch geweld, verontwaardiging over levens die tussen de raderen van de geschiedenis zijn vermorzeld, onmacht om zich met het verleden te verzoenen.

De ik-persoon van Langs autobiografische roman keert in 1989, een paar weken na de val van Ceausescu, terug naar zijn ouderlijk huis, waar zijn moeder op sterven ligt. Hij voelt zich een vreemdeling in het dorp dat hij veertien jaar daarvoor verliet en verlangt eigenlijk meteen weer terug naar `huis': `Waar is thuis? Thuis is gevoel'. Thuis is, zo voelt de verteller, Den Haag. Jarenlang verlangde hij ernaar zijn ouderlijk huis te kunnen opzoeken, maar nu hij er eenmaal is, is hij vooral bang het verleden op te rakelen, bang voor een confrontatie met wat hij zo zorgvuldig, in de loop der jaren, heeft weten te verdringen: gevoelens van schuld, van onrust, van twijfel. Hij wíl de aftakeling van zijn moeder niet aanschouwen, hij wíl niet zien in welke agressieve, van wraak vervulde alcoholisten zijn vroegere schoolvriendjes zijn veranderd, hij heeft er geen behoefte aan te zien wat twintig jaar arbeid in de textielfabriek van zijn zus heeft overgelaten. Hij probeert een verleden te ontlopen dat hem onherroepelijk inhaalt: zijn moeder wil `het verleden rangschikken en formuleren, opbergen in de boekhouding van (haar) herinneringen, verzegelen'. Zijn ooms en tantes zitten vol verhalen over oorlog en persoonlijke tragedie en ook zijn eigen herinneringen dringen zich aan hem op. In een eenvoudige stijl van korte, directe zinnen maakt Lang duidelijk hoe staatsmannen met een enkele pennenstreek bepaalden wie er in het dorp bleef, wie er werd verdreven, welk huis er werd geplunderd en wiens leven tot een hel zou worden gemaakt.

In 1920 werd Transsylvanië aan Roemenië toegewezen. In Hongaarstalige gebieden moesten Roemeense dorpen komen, de Hongaarse adel werd verjaagd en onteigend. In 1940 kreeg Hongarije, `om Hitler gunstig te stemmen', tweederde van Transsylvanië terug. Ditmaal waren het de Roemeense inwoners die met geweld uit hun huizen werden verdreven. Zes jaar later werd het gebied weer Roemeens en vlak daarna volgde de communistische terreur. Stalin vorderde honderdduizenden mensen die als dwangarbeiders in kampen `herstelwerkzaamheden' moesten verrichten. Alleen zwangere vrouwen werd toegestaan naar hun dorp terug te keren.

Verzwegen tijd

Het is deze `verzwegen tijd' in de geschiedenis van Transsylvanië die Lang, overtuigend en bij stukjes en beetjes, uit de verhalen van zijn personages naar voren laat komen – niet zonder vragen (Heb ik het gemakkelijk gehad?) en niet zonder schuldgevoel, `omdat ik die verhalen geboekstaafd heb als kostelijke anekdotes'. `Kostelijk' is niet de term die van toepassing is op de integere, terughoudende manier waarop de ik-persoon omgaat met de `verstomde legenden en zwijgende tekens in dit onbetekenende dorpje': de stoommolen die in vlammen opging als enig protest tegen de komst van de Russen, de school waar hij het sovjet-volkslied leerde zingen, de kroeg waar hij niet naar binnen durft te gaan. Hij beseft meermalen `hoe moeilijk het is om niet te oordelen, niet te moraliseren' in dit deel van de wereld waar `recht en waarheid twee buren in onmin zijn'.

Ook in de persoonlijke geschiedenis van de verteller blijkt het nodige verzwegen en verborgen, getuige de symboliek van zijn bijnaam `mollenjager'. Als jongen van een jaar of tien dwong zijn moeder hem een mol te vangen en te doden – een vuurproef voor zijn vermogen ook later moeilijkheden te kunnen overwinnen. Het levert hem een steeds terugkerende nachtmerrie op: `Het niets, het einde, de dood. Het witte einde en het zwarte einde. Het trilt, vult de hele ruimte. Het voelt kleverig als een reuzezijderupscocon. Het slokt me op. Ik besta niet.'

Hoezeer dat ook de wens van zijn moeder is geweest (haar zoon blijkt door verkrachting in een Russische kolenmijn verwekt te zijn) is maar één van de mooi, afstandelijk en daardoor des te beklemmender beschreven verborgen gebeurtenissen uit het verleden. Veel is onzegbaar en toch is eigenlijk alles gezegd – dat is de kracht van de mooiste passages. Stephan Langs onrustgevoelens, zijn geheim over de dood van een vriend met wie hij vluchtte, zijn innerlijke tweestrijd tussen liefde voor zijn familie en zijn land en zijn even grote afkeer ervan – de verteller neemt ze, onuitgesproken, met zich mee als hij, voor de tweede keer in zijn leven, overhaast zijn ouderlijk huis verlaat en zijn verleden ontvlucht: `Nog een paar stappen en ik ben de grens over. Verse sneeuw bedekt de afdrukken van mijn stappen. Niemand zal weten dat ik hier was, dat ik hier ooit gelopen heb.'

Stephan Lang: De mollenjager. De Geus, 156 blz. ƒ37,45