Stamhoofdjes zijn we, kleine stamhoofdjes

Van Tiel tot Rotterdam doen jonge Nederlands-Marokkaanse schrijvers van zich spreken. Tijdens de Boekenweek met het thema `Schrijven tussen twee culturen' staan zij extra in de schijnwerpers. Wat verklaart hun succes? `Misschien komt het doordat wij onze emoties snel uiten en de kunst achterna durven te gaan.'

Welkom in Tiel, glimlacht Khalid Boudou op het station. Het is ruim een week voor de dubbelpresentatie van Boudou's debuutroman Het schnitzelparadijs en Atarik.nl, het sinds deze maand verkrijgbare glossy `tijdschrift voor jonge Marokkanen enzo'. Eerder die dag is de lokale grootheid Flipje gestrikt om het eerste exemplaar in ontvangst te komen nemen.

Bij het opendoen van het portier valt er een fles motorolie uit de auto. ,,Het is ongelooflijk druk', verklaart Boudou. Het is acht uur 's avonds, maar hij heeft nog niet gegeten. ,,Vandaag op mijn werk – ik werk bij KPN – ging iedere twee minuten de telefoon', zegt hij terwijl hij in vijf minuten naar het centrum rijdt en een handzaam zelfportret uitspreekt.

,,In Tiel kom ik tot rust. Ik woon hier sinds mijn vierde. Mijn vader kwam als gastarbeider in de jamfabriek werken, een paar jaar later kwamen wij. Atarik hebben we zeven jaar geleden opgericht als deel van een project voor Marokkaanse jongeren in Tiel. Kijk, hier is het theater waar de presentatie wordt gehouden.'

Parkeren lijkt het enige dat niet vlot gaat, door ongeduld. ,,Terug naar de les. Ik had hem er achteruit in moeten zetten', concludeert Boudou, die lopend verder vertelt hoe hij minder dan fulltime wil werken, maar dat werk niet wil opgeven voor het schrijverschap. ,,Ik kan niet de hele dag achter een schrijftafel zitten.'

Het schnitzelparadijs (besproken in Boeken 2.3.2001) leest ook niet bepaald als het boek van een achterkamerauteur: vanaf de eerste pagina sleept Boudou zijn lezers de smerige keuken van restaurant De Blauwe Gier binnen, waar de hoofdpersoon Nordip werkt als afwasser, terwijl camera's het personeel in de gaten houden en halfbedorven vlees tot kwaliteitsschnitzel wordt gepaneerd. ,,Ik wilde het boek situeren in een ruimte met veel lawaai, een wereld in het klein. Zelf heb ik als kok in een Van der Valk-restaurant gewerkt. Mijn hoofdpersoon heb ik afwasser gemaakt. Zo kan hij veel kijken en luisteren. Mijn eigen favoriete schrijver is de Egyptenaar Nagieb Mahfouz, maar ik lees ook Giphart en Grunberg.' Inmiddels is de schrijver aangekomen in een vrijwel uitgestorven bruin café, waar hij vaker blijkt te komen (`Hé Khalid! Geen bier? Ziek?').

Cafés

Kijken, luisteren en schrijven. Boudou is de laatste in een rij jonge schrijvers als Mustafa Stitou, Hans Sahar, Hafid Bouazza, Abdelkader Benali, Naima El Bezaz, Rashid Novaire en Said El Haji. Ze werden geboren in Marokko, maar groeiden op in Tiel, Alphen aan den Rijn, Arkel of het Rotterdamse Berkel en Rodenrijs, ver van de hoofdstedelijke cafés waar jongeren doorgaans een ingang in de literaire wereld zoeken. Hun entree verliep langs een andere weg, voor bijna allen dezelfde: de jaarlijkse literatuurprijs voor mensen met een Arabische of Marokkaanse achtergrond van El Hizjra, de Amsterdamse organisatie voor Arabische taal en cultuur.

De kinderen van El Hizjra (`het weggaan') staan deze maand extra in de schijnwerpers door het Boekenweekthema `Schrijven tussen twee culturen'. De literatuur wordt zo het tegenwicht voor de stroom krantenartikelen waarin soepeltjes een parcours wordt uitgezet van de door `geweld en wantrouwen' gekarakteriseerde Berber-cultuur in het Marokkaanse Rifgebergte – waar de meeste Marokkaanse Nederlanders vandaan komen – en zakkenrollers in de trein naar Schiphol.

In het Boekenweekessay Een beer in bontjas introduceert Hafid Bouazza de afkorting N.S.M.A.N.N. (Nederlandse Schrijver van Marokkaanse Afkomst met de Nederlandse Nationaliteit), zij het om vervolgens duidelijk te maken dat hijzelf niet van etikettering gediend is: `Hij kwam binnen in de lappenjas van een afkorting [...] maar ging weg, na een goede rui, een verlies van overbodige veren, als auteur'. Voor hem telt alleen de verbeelding: `Leve de ontworteling! Leve de thuisloosheid! Leve de ongebondenheid! Leve de verbeelding!'

Bouazza verzet zich al jaren tegen het stempel `Marokkaans' schrijver. Boudou heeft er minder moeite mee: ,,Ik weet niet hoe het komt dat jonge Marokkaanse schrijvers het relatief goed doen. Misschien komt het doordat wij onze emoties snel uiten en de kunst achterna durven te gaan. De Chinese gemeenschap is bijvoorbeeld veel geslotener. Die zal de vuile was niet snel buiten hangen.'

Het is niet eenvoudig voorbeeldig te zijn. Nordip, de hoofdpersoon van Het schnitzelparadijs, heeft het er moeilijk mee. `Wat een voorbeeld, die jongen! Eindelijk een voorbeeldig voorbeeld', wordt er over hem gezegd als hij een baantje in de `administratie' krijgt. Waarna hij twee jaar `slapend' doorbrengt, ver weg van alle hooggespannen verwachtingen. ,,Het idee een voorbeeld te moeten zijn is een grote last voor hem.' Boudou zelf zegt daar niet veel last van te hebben: ,,Ik ben wel blij dat het boek nu af is. Het is alsof ik jaren buiten heb gestaan en nu bij de echte schrijvers naar binnen mag. Ik ben met schrijven begonnen in Atarik. Er was een gat, ik schreef iets, en dat bleek een gedicht. Twee jaar geleden vond ik dat het nu of nooit was en deed ik mee aan de wedstrijd van El Hizjra. Daardoor had ik bij het schrijven van dit boek het idee dat het eigenlijk mijn tweede was. Ik wilde het allemaal veel te mooi doen. Iemand vroeg me: voor wie schrijf je eigenlijk? Voor Michaël Zeeman of voor de jongeren van Atarik? Daarna vond ik mijn eigen toon weer.' En een opmerkelijke daadkracht: Boudou schreef Het schnitzelparadijs in de avonduren na zijn werk, dagelijks. ,,Ik ben een redelijk georganiseerd mens.'

Betuws chauvinisme

Inmiddels zijn twee Atarik-collega's van Boudou aangeschoven: Geertje Lambermont (,,Vier keer kussen, op z'n Marokkaans', licht hij toe) en Mohamed Akrouni. De laatste steekt dadelijk van wal, met meer Betuws chauvinisme dan hoofdredacteur Boudou. ,,Wij schrijven geschiedenis. Het eerste Marokkaanse jongerenblad van Nederland komt uit Tiel. Het ziet eruit om af te likken. Wij willen niet alleen een blad maken, maar uiteindelijk proberen een systeem van coaching op te zetten: bijvoorbeeld een jonge Marokkaanse cabaretier in contact brengen met Najib Amhali. Wij hebben onze weg nu wel gevonden, maar onze broertjes en zusjes nog niet.' Atarik.nl verschijnt voorlopig eens per kwartaal, maar wat Akrouni betreft wordt dat snel meer. ,,We dromen van een Marokkaanse sitcom op televisie.'

Atarik is een vrolijk blad. `Word lid en krijg niets. Je hebt al genoeg rommel', zo staat er in het begin te lezen, waarna een bladzijde verder een interview staat met Tokomito Jojoa, een bungee-jumper uit de Alblasserwaard die vraag na vraag moet beantwoorden in hoeverre zijn Haïtiaanse komaf hem een speciaal soort bungee-jumper maakt: `Je werd ooit naar voren geschoven als die Haïtiaanse jongen, met die geheel eigen stijl. Dat exotische leek een grote marktwaarde te hebben.' En veel aandacht voor Boudou en zijn collega-schrijvers Abdelkader Benali en Said El Haji, die onder contract staan bij dezelfde uitgeverij (Vassallucci), die bovendien Atarik.nl distribueert.

,,Het was goed dat de anderen van Atarik ook bij het het gesprek waren', zegt Boudou bescheiden op de terugweg. ,,Dan zie je dat er ook nog wel een beetje wordt nagedacht.' In het blad valt de term nadenken ook eenmaal in de beschrijving die Abdelkader Benali geeft van El Haji: `Hij heeft de tijd genomen om na te denken en dat doen maar heel weinig mensen. Dat nadenken werkt door, dat merk je.'

Havo

In het debuut van Said El Haji – het afgelopen herfst verschenen De dagen van Sjaitan (Boeken 13.11.00) – baant de jongen Hamid zich een weg uit een streng-islamitische opvoeding. Ondanks de vaderlijke hardhandigheid waarmee dat gepaard gaat, is het boek in eerste instantie het verslag van een filosofische zoektocht naar vrijheid. De dagen van Sjaitan is, net als Het schnitzelparadijs, een Bildungsroman, zoals in het algemeen de boeken van de El Hizjra-schrijvers meer bepaald lijken te worden door hun leeftijd dan door hun afkomst. Zijn eigen literaire bestemming vond El Haji uiteindelijk aan de andere kant van de aarde: tijdens een wereldreis in Nieuw Zeeland beland, ontmoette hij een zestigjarige Nederlander die hem aanspoorde zijn boek ook zo snel mogelijk te schrijven.

En dat deed hij, eenmaal thuisgekomen. El Haji woont op een halve verdieping boven een groentezaak in het noorden van Rotterdam, niet ver van het Berkel en Rodenrijs waar hij opgroeide. Een typische studentenwoning, zij het dat de bewoner zijn studie moderne letterkunde al een tijdje in de ijskast heeft staan. Naast de computer hangt een collage met portretten van onder anderen Hermann Hesse, Gabriel García Márquez en José Saramago. Het antwoordapparaat staat aan, maar niet om een boek te kunnen schrijven. ,,Ik kan niet schrijven zonder absolute noodzaak', zegt El Haji. ,,Op het moment schrijf ik alleen in mijn hoofd en binnenkort wil ik eerst naar Marokko. Ik ben daar in geen zeven jaar geweest.'

Een boek publiceren was altijd zijn grote droom, zegt El Haji. ,,Abdelkader Benali ken ik nog van de havo. Door zijn boek heeft hij inmiddels een grote reputatie. Daar wilde ik graag bij horen. Het is een mooi idee deel uit te maken van een soort Marokkaanse garde.

,,Ik weet echt niet waar die drang tot schrijven en publiceren vandaan komt', zegt hij. ,,Misschien dat voor jonge Marokkanen de aandrang groter is, juist omdat de groep vaak negatief in het nieuws komt. Het is een mogelijkheid om je te onderscheiden. Ik heb er nooit last van gehad een voorbeeld te zijn. Dat gold voor mij, maar ook voor mijn vier broers. Wij waren eigenlijk alle vier een voorbeeld. Mijn vader wilde trots op ons zijn.'

Een dag later blijken er in Utrecht meer voorbeelden in de maak: op het podium staat een 25-jarige vrouw met een automatisch geweer. Tegenover haar een publiek dat bestaat uit 150 literatuurliefhebbers, die in weinig lijken op het grijze gezelschap dat doorgaans opdraaft bij literaire evenementen. De gewapende angry young woman, ze heet Fatima Benkaddour, schiet in de lucht, waarschuwt haar niet aan te vallen omdat dat haar de status van martelaar zal opleveren en misschien wel een nieuwe religie, de fatislam, en barst tenslotte los in een tirade tegen een religieuze opvoeding die de mens tot een kopieerapparaat van het Boek maakt.

Vrouw en publiek – onder wie een handvol autochtone Nederlanders, en nul hoofddoekjes – zijn verzameld wegens de toekenning van de nieuwe literaire prijs die El Hizjra sinds dit jaar uitreikt, een publieksprijs. Terwijl het centrum van Utrecht wordt geteisterd door een carnavalsoptocht, dingen auteurs in vier categorieën naar de hoofdprijs. Waar bij de `gewone' prijs (die op 24 maart zal worden uitgereikt) een jury de winnaar aanwijst, doet hier het publiek dat. Uiteindelijk slechts in drie categorieën omdat ongeveer een derde van de deelnemers verstek laat gaan, waardoor er voor Arabisch proza helemaal niemand overblijft.

Familieladder

Niet alleen de aanstaande voorvrouw van de fatislam toont zich van haar meest gedreven zijde, ook een aantal andere jonge vrouwen neemt krachtig stelling. Zo draagt Fatma Ali de aanwezigen op de ogen te sluiten voor een gedicht, dat een aangrijpende beschrijving van een vrouwenbesnijdenis blijkt te zijn en spreekt Laila Benbrahim in haar gedicht over `haat die klimt in de familieladder'.

De vrouwen mogen opmerkelijk zijn, de publieksprijs slepen ze er niet mee binnen. Die gaat naar minder controversiële mededingers: een eenvoudig verhaal van supermarktverwondering door de in Westerbork woonachtige asielzoeker Suleiman Khalaf en een literair niet bijster opmerkelijk, maar door de presentatie ontroerend optreden van de jonge dichter Abdelmalik El Farisi – gebroken hand, net kostuum: ,,Ik begin meteen maar, want ik ben erg zenuwachtig' – die verklaart hoe hij zijn gestorven Marokkaanse oma's mist.

,,Het is opmerkelijk dat de Marokkaanse meisjes minder snel doorbreken dan de jongens', zegt Simone IJbels van het organiserende El Hizjra. ,,Bij de deelnemers aan de wedstrijden en bij de bekroonden zitten minstens zoveel meisjes, maar voor hen is de weg naar het publiceren van een boek moeilijker. Ze hebben dat hongerige niet, zijn kritischer op zichzelf.'

Voor de emancipatie van de Marokkaans-Nederlandse literatuur dicht IJbels haar organisatie zelf een belangrijke rol toe. ,,Wij brengen vraag en aanbod bij elkaar.' Ze heeft de cijfers aan haar zijde: de afgelopen twee jaar is het aantal inzendingen verdubbeld tot 156. ,,Er is veel talent en veel behoefte', zegt IJbels in de boekwinkel annex kantoor van El Hizjra aan een Amsterdamse gracht. ,,Langzaamaan ontdekken steeds meer uitgevers dat er ook daadwerkelijk een markt is. Neem een boek als Benali's Bruiloft aan Zee. Iedere lezende Marokkaan kent dat boek. Dat zijn veel mensen.'

Het enthousiasme van uitgevers moet niet overdreven worden, vindt IJbels. ,,Vassallucci is de voornaamste, en dat is een bedrijf dat weet hoe je een boek moet verkopen, maar dat heeft als nadeel dat degenen die minder goed in hun fonds passen, veel moeilijker doorbreken. Anderen hebben nauwelijks door wat wij precies doen. Laatst kregen we een brief van de Novib en een uitgeverij, die mensen zochten om een bundel te promoten, in T-shirts. Wij werden gebeld omdat we zoveel allochtonen zouden kennen. Dat wij veel allochtone schrijvers kennen, die waarschijnlijk niet staan te springen om een bundel uit te delen waar ze zelf niet instaan, was niet in ze opgekomen.' Anderen lijken zich nog steeds nauwelijks bewust van het bestaan van El Hizjra. ,,De CPNB organiseert een boekenweek over schrijven tussen twee culturen, maar wij hebben niets van ze gehoord.'

Criticasters

Iemand die ook niets van de CPNB, de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, hoorde was Abdelkader Benali. Helemaal verwonderlijk was dat niet, want Benali was een van de felste criticasters van het CPNB-besluit om een buitenlandse schrijver, Salman Rushdie, te vragen het boekenweekgeschenk te schijven. ,,Wij interculturele schrijvers blijven zo een soort aapjes', geselde hij. ,,We krijgen een boekenweek, maar niet de hoofdrol. De vette chèque en de oplage van 750.000 exemplaren gaan naar een internationale topper.'

Inmiddels is Benali begonnen in Rushdie's Boekenweekgeschenk Woede. ,,Het is wel mooi. In het begin loopt hij gewoon door New York, op straat. Hij merkt alles op, hij is hypergevoelig, een typisch migrantenkwaaltje,' zegt hij in een tempo dat doet vrezen dat de duivel hem op de hielen zit. Maar bij Benali gaat alles snel.

Benali's debuut Bruiloft aan zee (Boeken, 25.10.96) kwam al toen hij twintig was. Hij had al een aantal schrijfwedstrijden gewonnen, zoals ook de El Hizjra. In eerste instantie werd zijn debuut nauwelijks opgemerkt, maar nadat het werd genomineerd voor de Librisprijs werd het dertien keer herdrukt en aan negen landen verkocht. De langverwachte opvolger, een verhalenbundel, moet later dit voorjaar verschijnen. ,,Ik zit nu weer lekker in mijn vel. Ik heb een tijd gedacht dat ik persoonlijke problemen kon oplossen door te schrijven. Dat was een vergissing. Nu zou ik graag een boek schrijven over beroemdheid. Over een 22-jarige kinderboekenschrijver die eigenlijk alles al heeft bereikt wat er te bereiken valt.'

Toen Benali een paar jaar geleden werd gevraagd waarom jonge schrijvers met een Marokkaanse achtergrond het zo goed doen in de literatuur, antwoordde hij dat Marokkanen nu eenmaal alles goed doen, of het nu stelen is, of schrijven. ,,Het klinkt wrang, maar voor ons schrijvers is het makkelijk op te lichten tegen een achtergrond van problemen. We springen er zo uit. Misschien komt die geldingsdrang voort uit het feit dat wij eigenlijk allemaal een soort kleine stamhoofdjes zijn. Iedereen wil op de voorgrond. Het kan me niet veel schelen als ik op de radio hoor dat het wantrouwen in de Berbercultuur een van de oorzaken is voor criminaliteit onder Marokkaanse jongeren, dat het komt omdat onze moeders de groenten vroeger stukkookten of omdat we een bepaald gen missen.'

De Boekenweek wordt heel bijzonder, weet hij nu zeker. ,,Het essay van Bouazza heb ik net uit, het is prachtig hoe hij bij de verbeelding eindigt. Het boek van Boudou heb ik ook net gelezen. Ik stoorde mensen in de trein omdat ik hard zat te lachen. Zoals hij het boek heeft geschreven, naast zijn baan, zou ik het niet kunnen. Ik ben niet systematisch, kan nooit wachten. Dat is pure doodsangst. Maar er is wel een overeenkomst tussen al onze boeken: we zijn allemaal sprookjesvertellers. Het is de terugkeer van het sprookje.'