Rusteloos naar Belle en Amsterdamse bordelen

Niemand heeft postuum zoveel informatie over zichzelf bijgedragen aan de Engelse literatuurgeschiedenis als James Boswell. Tot meer dan honderd jaar na zijn dood was er nauwelijks meer over hem bekend dan wat er al over hemzelf stond in zijn twee boeken met Samuel Johnson als hoofdpersoon: de Tour to the Hebrides van 1785 en de onvergankelijke biografie Life of Johnson zes jaar later. Naar de smaak van zijn familie en veel toonaangevende lezers was het meer dan genoeg. Hij had zo ongegeneerd geleefd en zich zo ongegeneerd laten kennen dat zij hem geen verdere aandacht waardig keurden. Zijn nagelaten papieren werden weggezet en vergeten.

Van zijn sterfjaar 1795 tot 1905 is zijn leven niet onderzocht. Toen ging een erfgenaam op de zolder van het familiehuis Auchinleck in Schotland de inhoud van kasten en dozen doorkijken, en daar bleek een massa journalen van de gesmade voorvader bij te zitten. Ze werden gesorteerd en gekuist en in 1911 werd er een pakket voorgelegd aan de uitgever John Murray, die ze ongeschikt achtte voor publicatie. Hier en daar staat er wat goeds in, maar veel te weinig, schreef hij: Boswells `private life like Byron's is best left to oblivion.'

Daarna heeft het nog veertig jaar geduurd totdat Boswells levensdagen voor ons werden ingevuld. Intussen waren er op verschillende plaatsen in Schotland en Ierland verdere pakketten, dozen en kisten met handschriften en brieven gevonden. Van 1762, toen hij in Londen aankwam, tot zijn dood had hij de behoefte om iedere dag in zijn journaal te schrijven.

Het was zoveel geworden en het vereiste zoveel bewerking dat er een nieuw soort literaire geleerdheid is ontstaan, de `Boswellkunde' met als hoofdkwartier Yale University, dat in 1949 al het materiaal in bezit kreeg. In 1950 volgde de eerste publicatie: het London Journal over 1762-63. John Murray in 1911 zou het niet geloofd hebben: er werden bijna een miljoen exemplaren van verkocht.

Twee jaar later verscheen Boswell in Holland, dat nu in vertaling verschenen is met in vervangen door en. Het kon niet het Holland Journal genoemd worden, want dat heeft bestaan en is zoek; Boswell is het zelf kwijtgeraakt. Gelukkig was hij zo'n onstuitbare veelschrijver dat er toch genoeg materiaal gevonden is voor een boek over de tien maanden toen hij rechten studeerde in Utrecht: aantekeningen, brieven van en aan hem, teksten in het Frans en in het Nederlands om zijn talen te oefenen, en een flink aantal tienregelige versjes die hij een tijd lang iedere dag schreef.

Belle van Zuylen

Van Utrecht en de universiteit is bij Boswell weinig te zien, net zo min als van de andere plaatsen die hij bezocht als hij rusteloos werd: Amsterdam om de bordelen, Den Haag om zijn nette kennissen, Leiden om de bibliothecaris Gronovius, en Rotterdam waar hij een jonge Engelse zakenman kende. Het gaat vooral om zijn eigen contrasterende stemmingen en ideeën: depressief en welgemoed, deugdzaam en onfatsoenlijk, scherpzinnig en onnozel, beheerst en laveloos, zelfvoldaan en zelfverachtend. Niets menselijks is hem vreemd, lijkt het soms. Maar dat is te veel gezegd. Er zijn trekken die hij zelden of nooit vertoont: hij is bijvoorbeeld niet jaloers en niet wreed, niet ironisch en niet meelevend. Binnen zijn beperkingen is hij zo veelzijdig dat een lezer een tijd kan genieten van zijn gezelschap. Een halve boekenplank met Boswells, en af en toe iets ter hand nemen, dat kan een weldadige manier zijn om met hem om te gaan.

De Utrechtse aantekeningen zijn voor de Nederlandse lezer ook de moeite waard om Boswells relatie met enkele vrouwen in Utrecht, vooral met Belle van Zuylen. Belle was een van de sociaal aanzienlijksten en verreweg de intelligentste vrouw die hij daar kon ontmoeten. Wat hij in haar zag is makkelijker te begrijpen dan dat zij hem ernstig genoeg nam om lange gesprekken met hem te voeren en na zijn vertrek brieven met hem te wisselen, waarin de mogelijkheid van een huwelijk werd overwogen. Dat het van haar zo verbazend lijkt komt ten dele doordat de lezer van de journalen Boswell van binnenuit kent en hem niet ziet als de charmante, welbespraakte, goed ogende jongeman die hij ook kon zijn. Wel heeft de lezer, denk ik, in zoverre gelijk dat een huwelijk van hen onverdraaglijk zou zijn geworden.

Ook in het Nederlands van Jan Pieter van der Sterre is Boswell opwekkend gezelschap. Er is bij vertaald proza van tweehonderd jaar geleden altijd iets aan te merken op het gebruik van oude en nieuwe woorden en termen, maar bij zulke rap geschreven teksten doet het er minder toe dan bij zorgvuldiger geschreven literatuur. De vrijmoedigste vrijheden veroorlooft deze vertaler zich in de tienregelige versjes die in het origineel toch maar studentenpoëzie waren en hun ongedwongen karakter behouden. Als hij te veel heeft gegeten moppert Boswell dat hij zich oververhit voelt:

And though impatience goads my

fretful brain,

Not one idea can I thence obtain

wat bij Van der Sterre wordt:

Al maant mijn ongeduld mijn

kribbig brein

Er komt geen groot idee en ook

geen klein.

De hele vertaling blijft een indrukwekkend stuk werk. Ik zou alleen wel willen dat de 753 voetnoten die ophelderen over wie en wat Boswell het heeft, niet allemaal aan het eind waren gezet, waardoor een toegewijde lezer ze bij iedere pagina moet opslaan.

Wie na Boswell en Holland de smaak te pakken heeft en toch niet meteen wil doorgaan met alle elf delen van de journalen, zou moeten overwegen om Adam Sismans boek te lezen waarin over de voorbereiding, het schrijven en het adverteren van het Life of Johnson wordt verteld. De voorbereiding bestond voornamelijk uit gesprekken met Johnson vanaf 16 mei 1763, toen Boswell hem had mogen ontmoeten bij de boekhandelaar Thomas Davies en binnen korte tijd als vriend werd aanvaard. Onnauwkeurige lezers zouden uit de biografie de indruk kunnen overhouden dat zij daarna bijna dagelijks gesprekken hadden. In werkelijkheid zijn er in de eenentwintig jaar tot Johnsons dood vierhonderd dagen geweest dat zij elkaar spraken, onder vier ogen of in gezelschap.

Dat getal maakt duidelijk hoeveel Boswell moest uitzoeken toen Johnson dood was. Het is ook niet juist, dat hij als een kopiist uitspraken van Johnson noteerde wanneer hij in zijn gezelschap was. Hij schreef wel eens wat op als het gesprek onderbroken werd; de rest moest wachten tot na afloop, en vaak kwamen uitspraken niet woordelijk in zijn boek omdat hij ze niet meer precies wist en omdat hij ze bewerkte aan de hand van andere herinneringen en van Johnsons geschriften.

Meesterstuk

Het is geen wonder dat het zeven jaar duurde voordat de biografie verscheen, op 16 mei 1791. Goedwillende vrienden hadden vaak gewaarschuwd dat het zaak was om op te schieten, omdat de belangstelling voor Johnson zou verflauwen en er intussen concurrerende biografieën verschenen. Boswell bleef bij zijn omslachtige werkwijze. Een tijd lang ging het sneller doordat zijn vriend Edmond Malone, die systematischer werkte, hem bijstond. Toen Malone voor eigen bezigheden weg moest naar Ierland viel het tempo terug, en Boswell werd bovendien depressief. Tenslotte kwam alles terecht. Hoeveel er ook al verschenen was over Johnson, Boswells boek werd erkend als een meesterstuk. Het verkocht goed, en het is goed blijven verkopen ook na de vier jaar die de auteur zelf er nog van beleefde (hij overleed in 1795).

Sismans besluit om in plaats van de zoveelste biografie van Boswell, zich te concentreren op de totstandkoming van zijn grote werk, is een prachtidee. Zowel over de lasten van het schrijven als over die van het uitgeven is er een boek van gekomen dat de lezer voldaan en ontspannen stemt: op deze manier wordt van dichtbij voorstelbaar hoe zoiets gaat.

Jan Pieter van der Sterre (red.): Boswell en Holland. Met de volledige correspondentie met Belle van Zuylen. Atlas, 447 blz. ƒ89,90

Adam Sisman: Boswell's Presumptuous Task.

Hamish Hamilton, 392 blz. ƒ75,05