Mijn eerste boeken

Wanneer ik terugdenk aan mijn eerste boeken, komen mij vanzelf de huizen voor de geest waar ik in Rotterdam van jongsaf heb gewoond. Zo hoort mijn allereerste boek bij de Schoterbosstraat. Het was van linnen of een andere stof, en de bladen waren lange lappen waarvan er telkens twee aan elkaar vastzaten met onder en boven een opening waar je je hand door kon steken en die bedrukt waren met poppen in bonte klederdrachten. Ze voelden een beetje ruw aan en ik zat ermee op de grond van een schemerige kamer en keek naar de vreemd uitgedoste figuren, waarvan de Japanse in de veelkleurige kimono mij het meest boeide.

Omstreeks die tijd moet ik drie jaar zijn geweest, want voor mijn vierde verhuisden we naar de Zwartjanstraat, waar ik met een ander boek op de grond van een andere kamer zat. Het heette `Klokje bimbam' en was klein, van stevig groen karton waarop oranje engeltjes met zwaaiende klokjes een ladder beklommen die nergens op uitkwam. Er stonden geen plaatjes in maar versjes, die mij werden voorgelezen, en het leek helemaal niet op het lappenboek, dat er plotseling niet meer was en al gauw door mij werd vergeten – tenminste ogenschijnlijk, want later begon het zich steeds vaker tegen de vage achtergrond van het huis in de Schoterbosstraat af te tekenen en kreeg ik er steeds meer spijt van dat het niet bewaard was gebleven.

Onverwachts kwam er na `Klokje bimbam' een veel aantrekkelijker boek. Het werd door tante Jans, de rijke zuster van mijn grootmoeder, in hoogsteigen persoon bij ons afgegeven en was bij Bolle in het Hang gekocht. De titel luidde `Mee in de zak' en riep onbekende, verwarde gevoelens van heerlijke angst bij mij op, alleen al door de in rood en geel uitgevoerde band met een knipogende en grijnzende Zwarte Piet die een zak over zijn schouder droeg, waaruit twee erbarmelijk huilende kindergezichten staken. De inhoud was zo mogelijk nog erger, daar de begeleidende plaatjes de lotgevallen aanschouwelijk maakten van de ondeugende kinderen die voor straf mee naar Spanje moesten.

Van de Zwartjanstraat trokken we naar een benedenhuis in de Willebrordusstraat, waar ik naar school ging en leerde lezen. Er ontstond een hiaat van een paar jaar tussen `Mee in de zak' en de beide boeken die ik daar kreeg: een toen ik ziek was en een toen ik zeven jaar werd. Eigenlijk waren het geen echte boeken, daar het ene verlucht was met tekeningen die je moest inkleuren en die werden begeleid door onderschriften als `Jan met zijn witte kraagje doet op de schoorsteen een waagje' bij de afbeelding van een jongetje dat op de schoorsteen van een dak was geklauterd, of `Als men de deur van het huis ontsluit, kan men er spoedig in en uit' bij een onafzienbare rij kinderen die voor een halfgeopende poort stonden.

Het andere boek, een reclame van Van Nelle, was bekend als `Piggelmee' (het kan ook `Van het toovervischje' zijn geweest) en behelsde het rijmende relaas van een dwerg die `uit nooddruft' met zijn vrouw in een omgekeerde Keulse pot woonde.

Ongetwijfeld kwam het door de moeilijke financiële omstandigheden van de crisisjaren dat mijn ouders het voor een verjaarscadeau lieten doorgaan – tot mijn diepe teleurstelling, want iedereen wist dat deze uitgave gratis werd verstrekt tegen inlevering van een bepaald aantal punten (of waren het bonnen?) dat bij de aankoop van een pak koffie of thee werd gegeven. Bovendien werd ervan uitgegaan dat je zelf in de opengelaten ruimten bij de tekst de genummerde plaatjes zou inplakken. Toch heb ik het, hardop spellend en met mijn vinger van woord tot woord, zoveel keren gelezen dat ik het verhaal uit mijn hoofd kon opzeggen. `In het land der blonde duinen / en niet heel ver van de zee / woonde eens een dwergenpaartje / en dat heette Piggelmee.'

Het benedenhuis in de Willebrordusstraat verruilden we voor een etage in de Jacob Catsstraat. Daar werd ik door dezelfde gefortuneerde tante Jans verblijd met het boek `Vertellingen'. Het had een lichtblauwe kaft met de afbeelding van een gele stoel, waarop een vrouw te midden van een stel kinderen zat voor te lezen, en het bevatte een verzameling verhalen op christelijke grondslag. Het eerste, `Verdwaald', begon met de intrigerende zin: `Annie en Tonie, twee zusjes, moesten voor hun moeder bij een afgelegen boerderij een boodschap doen.' Het was echter zo koud dat ze na aankomst op de hoeve zich bij het fornuis mochten warmen en ieder een appel en een beker melk kregen, `zoo van de koe, wie had dat ooit gehoord!' Dit onverwachte oponthoud had helaas tot gevolg dat ze te laat naar huis terugkeerden en in de snel vallende avond verdwaalden. Gelukkig werden ze door hun hevig verontruste moeder gevonden, die zo verheugd was haar kinderen terug te zien dat zij uit dankbaarheid midden in het veld met gevouwen handen op haar knieën zonk.

Tenslotte belandden we in de Zegwaardstraat, waar mijn vader lid werd van de Gemeentebibliotheek. Het was een openbaring, en elke week verheugde ik mij op onze gezamenlijke gang naar de Pijnackerstraat, waar mij het verlangde boek door iemand achter een loket werd aangereikt: `De geheime tuin', `De zilveren schaatsen', `De negerhut van oom Tom', `De kleine lord', `Alleen op de wereld' (dat ik te droevig vond om binnen de gestelde termijn nog eens te lezen) en natuurlijk de prachtige sprookjes van Andersen.

Al deze boeken zijn onverbrekelijk verbonden met mijn Rotterdamse kinderjaren, en als ik aan ze terugdenk – wat ik nog dikwijls doe – beleef ik weer de volmaakt gelukkige uren die ze mij hebben gegeven en schieten mij de laatste regels te binnen van het gedicht dat Vasalis aan haar voorlezende moeder en luisterende dochtertje heeft opgedragen:

geloof het maar, geloof het maar,

alles wat zij vertelt is waar

en nooit zal je iets mooiers lezen.