In de natuur bestaan geen lijnen

Iedereen houdt er van, niemand weet wat het precies is en wanneer het begon. Het impressionisme is een groter raadsel dan men denkt.

Het impressionisme is met voorsprong de meest succesvolle kunstrichting aller tijden. Het is de ideale combinatie van ware kunst en toegankelijkheid. Zelfs de schilders van de Gouden Eeuw zijn nooit zo populair geworden, daarvoor zitten zij, met hun haast bovenmenselijke vaardigheden, net iets te hoog in de toren. Ook een alom bewonderde stroming als het surrealisme is nooit zo wijd verbreid geraakt. Dalí is net iets te gek en Magritte denkt te veel.

Die nadelen kleven niet aan de impressionisten. Zij beelden geen mythen, bijbelverhalen of andere hersenspinsels uit, het zijn schilderbeesten die hun ezels neerzetten en er virtuoos op los gaan. En dat in romantische kleuren, lekker vlot, vrij en vaag. Maar niet zo vaag dat de voorstelling wordt opgeheven, integendeel, het portret, landschap of stadsgezicht blijft tot in de puntjes herkenbaar. Hoe is het mogelijk, roepen wij, en dat met zó weinig streken! Wat een schilder!

En het is niet alleen de schilder met zijn schijnbaar willekeurige maar ondertussen zo trefzekere halen die we bewonderen. De kracht van het impressionisme is ook dat het ons verbaasd doet staan over ons eigen oog. Dat blijkt onafgebroken in staat om van geelbruine monstertjes vrouwenhandschoenen te maken en van vrouwenhandschoenen geelbruine monstertjes. Het kan verfstippen laten omslaan in struikgewas of mensenmassa's, en omgekeerd. Met de impressionisten kun je alle kanten op. Je kunt je klassiek gedragen en vooral de voorstellingen bekijken – om dan vroeg of laat vanzelf op de verf te stuiten.

Je kunt je ook heel modern voelen en vooral de wilde dans van de verf over het doek willen volgen – om dan onverhoeds toch de rust van de voorstelling te ervaren. De impressionisten hebben als eersten openlijk tot beide kijkhoudingen uitgenodigd, met veel talent en grote gebaren, alsof schilderen eigenlijk heel gemakkelijk was. Dat maakte het allemaal zeer aantrekkelijk.

Maar zo gevierd als het is, zo moeilijk valt te zeggen waardoor het impressionisme nu precies wordt gekenmerkt. Iedereen heeft op school wel een leraar gehad die zich aan een definitie waagde. `Impressionisten geven hun indrukken van de werkelijkheid weer, in tegenstelling tot expressionisten, die aan de hand van de werkelijkheid hun eigen innerlijk uitdrukken.' Dat klonk wel aannemelijk als je het zo hoorde, tot je even later het verschil niet meer begreep tussen indrukken en uitdrukken. Dan was je het spoor weer bijster.

Op dit moment wordt er in het Van Gogh Museum een tentoonstelling gehouden die de essentie van het impressionisme wil laten zien. De nadruk ligt op de impressie, op `de vrijheid van de losse toets', zoals de ondertitel luidt. Het spontane, beginnende impressionisme wordt belicht en het latere, meer doorwrochte werk, als dat van Cézanne en de pointillisten Seurat en Signac, is weggelaten. De samensteller van de tentoonstelling, de Amerikaan Richard Brettell, waagt zich in de catalogus aan een definitie van het begrip impressie.

Volgens Brettell wordt de maker van een impressie direct geprikkeld door zijn onderwerp, heeft hij vooraf geen duidelijk idee over het eindresultaat, en maskeert hij niet hoe en waarmee hij heeft gewerkt. Een impressie is bovendien uitgevoerd in een unieke gebarentaal, lijkt in korte tijd te zijn ontstaan, en wordt door de maker als af beschouwd.

Brettells poging om de impressie in woorden te vangen is zeker dapper, maar ook bij hem raak je al spoedig de kluts kwijt. Wat is om te beginnen een directe prikkel precies? Was Monet, toen hij in 1877 voor de twaalfde keer La Gare St. Lazare schilderde, nog net zo direct geprikkeld door zijn onderwerp als toen hij vijf jaar eerder met La Gare d'Argenteuil zijn eerste spoorwegschilderij maakte? De twee stations hangen allebei op de tentoonstelling en zijn onmiskenbaar impressionistisch geschilderd. Maar je ziet niet één veeg verf waaruit je kunt afleiden hoe direct of indirect die stations de kunstenaar hebben geprikkeld.

En dan: hoeveel kunstenaars in de geschiedenis zouden vooraf een duidelijk idee hebben gehad van het eindresultaat van hun werk? Als ze al bestaan hebben, is er van dat werk natuurlijk nooit iets terecht gekomen, want daar was geen reden meer voor. En is er onder alle kunstwerken ter wereld die er wel kwamen één, dat niet is uitgevoerd in een unieke gebarentaal en toch een kunstwerk mag heten?

Zo ondergraaft de mooie definitie zichzelf. Zelfs de meest toepasselijke betekenis van het woord impressie, namelijk de snelle weergave van een eerste indruk, gaat onderuit. Want dat die snelheid er van Brettell niet hoeft te zijn, als hij er maar lijkt te zijn, verschaft de gastcurator de mogelijkheid het tentoonstellingsthema van snelle schets en losse toets aanzienlijk te verruimen.

Hij kan de deur nu ook openzetten voor impressionisten die dat strikt genomen helemaal niet zijn, zoals Manet en Van Gogh.

Hij vertelt hoe Manet zogezegd met zijn linkerhand en zijn ogen dicht de ene impressie na de andere schilderde, fluitend met vrienden om zich heen, op reisjes en zomervakanties. Inderdaad zijn er op de tentoonstelling werkjes te zien die in een vloek en een zucht tot stand moeten zijn gekomen, zoals Het vertrek uit de haven van Boulogne. Brettell is helemaal lyrisch over het geschilderde water, om onnaspeurlijke redenen, want alleen aan de scheepjes die erop zijn gepenseeld kun je zien dat deze blauwe deken water moet voorstellen. Maar goed, het is slechts een impressie en over Manets werkwijze kun je er wel wat uit opmaken.

Maar Brettell gaat te ver in zijn verlangen om overal impressies in te zien wanneer hij ons wil doen geloven dat Manet met dezelfde rapheid zijn Canal Grande, Venetië heeft geschilderd. Als je dat schilderij bekijkt, zie je dat Manet de ogenschijnlijke spontaniteit van het doek laag op laag heeft bevochten.

`Het water, de beschilderde palen en het stadsgezicht rondom, trillen van de bewegingen van de schildershand', schrijft Brettell. Wat een geromantiseer! Als het water, de palen en de stad trillen, dan is het omdat Manet er net zo lang op heeft doorgewerkt tot hij ze met zijn verf aan het trillen had gebracht.

Manet is de grote held, dat blijkt al uit het omslag van de catalogus: zowel voor- als achterop staat een schilderij van hem. Niemand hoeft erom te treuren want de schilder is een van de sensitiefste aller tijden. Waar het om gaat is dat de eeuwige neiging om Manet het leiderschap van de impressionisten in de schoenen te schuiven, ook deze keer kennelijk weer onweerstaanbaar is geweest.

Nu is het waar dat Manet van het hele stelletje de oudste was – we vergeten de twee jaar oudere Pissarro even. Ook heeft hij al in 1870, twee jaar voor Monet met het oerwerk Impressie: zonsopkomst kwam, een impressionistisch sneeuwlandschap geschilderd (ook te zien in Amsterdam). Maar Manet heeft nooit de eerste impressionist willen zijn, en ook niet de eerste impressiemaker. Hij is nooit een vrijheidsstrijder van de losse toets geweest. In 1867 schreef hij, ter gelegenheid van zijn expositie op de wereldtentoonstelling in Parijs, dat hij nooit de bedoeling heeft gehad om oude schildersmethoden af te schaffen of nieuwe te scheppen. `Ik tracht slechts mezelf te zijn en niet iemand anders.'

Zoals het definiëren van het impressionisme onbegonnen werk is (je kunt het eigenlijk alleen maar aanwijzen), zo is het ook ondoenlijk om uit te maken wie de eerste impressionist is geweest. In de 19de eeuw hing het impressionisme zo overvloedig in de lucht dat er al volop van geplukt was toen de Manets en Monets op het toneel verschenen. In 1831, toen ze nog geen van allen geboren waren (behalve Pissarro, die toen 1 was), werd het impressionistische gedachtegoed al woord voor woord vertolkt door Frenhofer.

,,In de natuur bestaan geen lijnen'', zei de toen al oude schilder onder meer, ,,enkel de lichtverdeling geeft gestalte aan de dingen. Ik laat hun omtrekken schuilgaan onder een nevel van blonde en warme halftinten, die het onmogelijk maakt precies de vinger te leggen op de plaats waar omtrekken en achtergronden elkaar ontmoeten. Van dichtbij lijkt zulk werk wollig en onnauwkeurig, maar op twee passen afstand wordt het stevig en krijgt het vaste contouren.''

Puur impressionisme, Frenhofer was er vroeg bij. Zeker als je bedenkt dat deze in 1831 opgetekende woorden al in 1612 werden uitgesproken. Want in dat jaar speelt de novelle Het onbekende meesterwerk van Balzac, waarvan Frenhofer de hoofdfiguur is. De schrijver laat de fictieve kunstenaar zijn woorden uitspreken ten overstaan van twee schilders die werkelijk geleefd hebben, Pourbus en Poussin. De laatste, die de grote ster zou worden van de Franse 17de eeuw, is op het moment van de handeling 18 jaar.

Is het nu een erg vreemde kronkel van Balzac dat hij al in het Frankrijk van 1612 een impressionistische schilder laat rondlopen? Allerminst, want de hele geschiedenis van de schilderkunst barst van impressionisme. Om dat te zien hoef je op veel schilderijen alleen maar een beetje in te zoomen, en vaak dat niet eens. Je hoeft maar naar de fresco's van Goya te kijken in het kerkje van San Antonio de la Florida in Madrid en je ziet impressionisme van het zuiverste water. Uit 1798. Nog 165 jaar eerder schilderde Frans Hals zijn onvervalst impressionistische Malle Babbe, om het maar bij dit beroemde voorbeeld te laten – in feite is Hals' hele oeuvre ondenkbaar zonder de vrijheid van de losse toets.

De catalogus bij de tentoonstelling in het Van Gogh Museum verzuimt gelukkig niet dit achterland in grove trekken te schetsen. Want het 19de-eeuwse impressionisme was niets anders dan de uitbarsting van een al eeuwen broeiende vulkaan.

Interessante vraag is nu of de 19de-eeuwers die zich in het impressionisme specialiseerden, er ook verder in kwamen dan hun grote voorlopers, die het er slechts bij deden, en het woord impressionisme niet eens kenden. In Amsterdam is goed te zien – een belangrijke verdienste van de tentoonstelling – dat impressionisme op zichzelf nog geen hoogstaande kunst oplevert. Er moet ook altijd aan een paar klassieke voorwaarden worden voldaan.

Een werk als De pier van Berthe Morisot bijvoorbeeld, dat zij inzond voor de eerste impressionisten-tentoonstelling in 1874, is dof en vlak geschilderd. De zee is meer een drassig grasveld dan een watervlakte. Er is nauwelijks contrast van licht en donker en zij heeft het hek op de pier er lijntje voor lijntje in getekend. Ach Berthe, denk je dan, had toch eens naar de oude Frenhofer geluisterd! Zo geef je niet weer wat je ziet maar wat je weet.Dat is geen schilderen.

Maar in 1880 nam Morisot deel aan de vijfde impressionisten-tentoonstelling met een schilderij dat ronduit meesterlijk is. Een zomerse dag toont twee vrouwen op een roeiboot waar eenden omheen zwemmen. Compositorisch lijkt het doek tot in het detail doorgedacht. Het is geschilderd met veel zigzaggende penseelstreken die het water subtiel verbinden met de vrouwenjurken. Het water ziet er levend en helder uit, ook als het zich verdikt rondom de schouders en armen van de vrouwen om die beter uit de verf te laten komen. Een mooi en rijp schilderij, zoiets kun je geen impressie meer noemen.

En terwijl we dat dus niet doen, valt het oog in het Van Gogh Museum op een prachtige, door Renoir geschilderde haan. In het algemeen is Renoir een verschrikking met zijn al te roze palet en de veel te grote poppenogen die hij iedereen geeft. Maar die haan, in een paar vegen geschilderd, is heel goed.

Hij roept de anekdote in herinnering van de Chinese kunstenaar die door een opdrachtgever gevraagd wordt een haan voor hem te tekenen. `Goed', zegt de kunstenaar, `kom over een maand maar terug.' Anderhalve maand later komt de opdrachtgever terug, maar geen haan. `Kom over een maand maar terug', zegt de kunstenaar. Anderhalve maand later staat de opdrachtgever er weer, nog steeds geen haan. `Wacht maar even', zegt de kunstenaar. Hij pakt papier en penseel, schetst vlug een haan en overhandigt hem aan de opdrachtgever. `Geef maar één maandloon', zegt de kunstenaar. `Wat?' roept de opdrachtgever, `een maandloon voor twee minuten werk?' Waarop de kunstenaar een kast opentrekt waaruit duizend schetsen van een haan vallen.

Wat zegt dat verhaal? Dat een kunstwerk dat in een handomdraai gemaakt is, voor de buitenstaander een impressie kan zijn en voor de kunstenaar een oeuvre.

Zo hangt Korenveld onder onweerslucht, een paar weken voor zijn dood door Van Gogh geschilderd, nu als de ultieme impressie in zijn eigen museum. Want Richard Brettell heeft gezien dat dit schilderij niet alleen snel geschilderd is, maar ook snel geschilderd lijkt. Van Gogh echter ziet tot zijn tevredenheid hoe onverbiddelijk de organisatie van zijn kleurvlak is, hoe het omvangrijke, zware blauw door het beetje geel toch licht wordt gehouden, en hoe elke verfstreek op geen andere plaats lijkt te kunnen staan dan waar hij staat.

Van Gogh weet dat hij over dit schilderij zijn hele leven heeft gedaan.

`Impressionisme, de vrijheid van de losse toets'. Tot en met 20 mei in het Van Gogh Museum, Amsterdam. Dagelijks van 10-16 uur. Inl: 020-5705200 en www.vangoghmuseum.nl