EU moet alleen boeren steunen die kwaliteit leveren

De nieuwe Duitse landbouwpolitiek kan grote gevolgen hebben voor Nederland. Dat hoeft echter nog niet te betekenen dat Nederland dezelfde ecologische weg moet volgen als Duitsland – als dat al zou kunnen. De gewenste kwaliteitsverbetering moet vooral worden bereikt door de positie van de keurmerken te versterken, vindt Dirk Strijker.

In Duitsland is begin januari de minister van Landbouw gevallen over de crisis rondom BSE- (gekkekoeienziekte). De bewindsman is vervangen door mevrouw Künast, een groene juriste. Er heeft een herverkaveling van ministeriële taken plaatsgevonden, en daaruit is een nieuwe naam ontstaan: het Ministerie van Consumentenbescherming, Voeding en Landbouw.

Vanaf nu staat in Duitsland voedselveiligheid centraal. In haar eerste toespraak tot de Bondsdag, op 8 februari, kondigde minister Künast een omwenteling van de landbouw en de landbouwpolitiek aan. Ze wil dat de ecologische landbouw in tien jaar een marktaandeel bereikt van 20 procent, regionale vermarkting moet prioriteit krijgen en de reguliere landbouwproducten moeten aan hoge standaarden voldoen.

Nog dezelfde dag riep de Nederlandse minister van Landbouw, Brinkhorst, dat hij eindelijk een medestander in Europa had gevonden. Duitsland ging doen waar Nederland al lang mee bezig was. Het was mij niet opgevallen.

Er zit namelijk een wereld van verschil tussen de Duitse en de Nederlandse benadering van landbouwproductie. De kleinschaligheid, extensivering, regionale `vermarkting' en zelfvoorziening die Künast wil bevorderen, passen nu eenmaal niet zo goed bij Nederland, dat het meest dichtbevolkte land van Europa en tegelijkertijd de op twee na grootste landbouwexporteur ter wereld is.

Wel is duidelijk dat de Duitse aanpak grote gevolgen voor de Nederlandse landbouw kan hebben. Bijna eenderde van de Nederlandse agrarische export gaat naar Duitsland. De Nederlandse landbouw zal dus snel moeten voldoen aan de eisen die de komende tijd op de Duitse markt gaan gelden.

De consument verliest door opeenvolgende enge ziekten en voedselschandalen het vertrouwen in het voedsel. Künast stelde in haar maidenspeech dat er een omwenteling nodig is van concurrentie op prijs naar concurrentie op kwaliteit. Ze heeft gelijk dat daarmee veel problemen van de Europese landbouw tot het verleden zouden behoren. De vraag is nog even hoe die draai dan wel gemaakt moet worden.

Een paar aspecten zijn daarbij van belang:

1. Consumenten, winkeliers en boeren zijn net gewone mensen: ze prefereren meer boven minder. Ze richten zich op opbrengst- en winstverwachtingen; het zijn geen liefdadigheidsinstellingen.

2. Wat is kwaliteit? De ene keer gaat het om voedselveiligheid, de andere keer om de landschappelijke aspecten van de productie, of genetische modificatie, of het ambachtelijke karakter. In de ogen van Künast en Brinkhorst wordt dit allemaal afgedekt door een overgang naar ecologische landbouw, maar zo simpel is het niet. Er zijn voedingsmiddelen die het EKO-keurmerk voeren, en waarin toch door sommige ecologische bewuste consumenten ongewenste `E-nummer'-kleurstoffen zitten, of die zijn ingevlogen uit Egypte, en waar geen kleine boer aan te pas is gekomen. En wat is er eigenlijk mis met een bescheiden gebruik van kunstmest. En zijn kleinschalige producenten beter in staat om een veilig product te garanderen? Ik geloof er niets van.

3. De doorsneeconsument heeft er geen idee van hoe zijn voedsel wordt voortgebracht. Het grootwinkelbedrijf en de grote voedingsmiddelenconcerns profileren hun producten met merken, en meestal niet met de herkomst van de grondstoffen of de productiewijze. Daarbij schetsen ze romantische plaatjes, die niets met de werkelijkheid te maken hebben. Dat is vanuit hun positie logisch, want je moet de klant niet gaan rondleiden in het slachthuis als je hem vlees wilt verkopen. En dat geldt mutatis mutandis ook voor minder bloederige producten als aardappels, graan en tulpen.

4. De overheid kan in principe met geboden, verboden en voldoende controle bepaalde kwaliteiten afdwingen. Ze kan dat zelf doen, ze kan het ook delegeren aan particuliere organisaties. Het eerste straalt meer betrouwbaarheid uit dan het tweede, maar zelfdoen heeft organisatorische nadelen.

5. Absolute garanties zijn niet te geven, niet door rijksinstellingen en niet door particulieren, omdat het ontgaan en ontduiken van regels financieel gewin oplevert (zie punt 1).

Künast wil de consument keuze geven tussen kwaliteiten, in een situatie waarin de consument onkundig is, en dus voor het goedkoopste kiest. (Veel) betere en verplichte vermelding van inhoud, herkomst en productiewijze kan helpen. Te denken valt aan duidelijk zichtbare classificaties (waar komt het product vandaan, zijn alle grondstoffen afkomstig van extensief producerende bedrijven, valt het product onder een keurmerk dat het gebruik van bepaalde productiewijzen voorschrijft of juist verbiedt, bevat het transgene grondstoffen). Wat mij betreft krijgt elke diepvriespizza en elk zakje verse soepgroenten de classificatie van het minst hoogwaardige ingrediënt dat het bevat. De klant heeft dan eindelijk weer wat te kiezen.

Het voorgaande kan een beetje helpen, maar het lost niet alles op. Gelukkig heeft de overheid nog een ander instrument in handen: het (EU-)landbouwbeleid. Met de `MacSharry-hervormingen' van 1992 en de besluiten over `Agenda 2000' is het instrument van `cross compliance' geïntroduceerd. In de kern betekent dat dat EU-ondersteuning voor producenten gekoppeld kan worden aan nadere voorwaarden met betrekking tot de productiewijze. Als de huidige ondersteuning radicaal beperkt wordt tot die producenten die aan strenge kwaliteitseisen voldoen, dan kan de gewenste kwaliteitsslag wellicht gemaakt worden. Dat zou kunnen door de diverse hectare-, dier- en inkomenstoeslagen te beperken tot de producenten die onder EU-goedgekeurde keurmerken produceren.

Het met economische prikkels versterken van de positie van keurmerken leidt tot een zekere mate van `ontbulking' van de landbouwproductie. De keurmerk-boeren hebben als groep een betere onderhandelingspositie tegenover de verwerkers en retailers. Dat is een winstpunt, want de machtsbalans is momenteel nogal scheef. Differentiatie in de classificatie van producten draagt trouwens ook al bij aan het doorbreken van het bulk-aanbod. En als de keurmerken openstaan voor producenten uit derde landen – zoals nu al met EKO het geval is – dan is waarschijnlijk ook veel gezeur in het kader van het wereldhandelsoverleg te voorkomen.

Dirk Strijker werkt als landbouweconoom aan de Rijksuniversiteit Groningen.