Eigenwijs. Eigen wijs

Opgejut door het boekenweekthema `Schrijven tussen twee culturen' gaat het Cultureel Supplement op zoek naar de kern van de Nederlandse cultuur. Vandaag deel 1 van `In het holst van Nederland'.

Enkele weken geleden was haar overlijden goed voor een bericht in elk Nederlands dagblad. Ria Kuyken. Het meisje met de beer – zo werd ze genoemd, zelfs haar familie deed dat in de rouwadvertentie. Ria Kuyken was zangeres, dat ook, maar beroemd werd ze omdat ze in 1962 door een bruine beer werd aangevallen in de ring van het Nederlandse Circus Boltini. En meer dan aan dat voorval heeft ze haar ruim dertigjarige roem te danken aan de foto van persbureau C. de Boer.

Ik was een klein meisje in die tijd maar ik herinner me die foto nog scherp. Hij stond voor op de krant. Ik vond hem onverdraaglijk. Niet omdat er een vrouw werd gebeten door een bruine dierentuinbeer, maar omdat haar het ergste overkwam wat een meisje kon gebeuren: iedereen zag haar onderbroek. Of liever, haar `broek'. Het woord onderbroek bezigde je liever niet, laat staan dat vreemden dat kledingstuk onder ogen mochten krijgen, laat staan dat het voor op de krant moest.

Ik zag de foto terug en zelfs nu nog, was ik eventjes meer geschokt door de blik op Kuykens ondergoed dan door haar malheur. En dat komt niet door mij, dat doet, opnieuw, die foto.

Deze foto zou een schoolvoorbeeld kunnen zijn van Cartier-Bressons klassieke moment décisif, want de sluiter heeft geklikt juist op het moment dat de beer zijn tanden zette in de schouder van de zangeres. Maar door de compositie en de lichtval valt dat bijna weg en ook gaat de aandacht van de fotograaf niet uit naar de angst in het gezicht van de ongelukkige vrouw of naar haar verkrampte houding van wèg willen, hoe fotogeniek haar lichaamstaal ook is. Evenmin profiteert de foto, wat ook een mogelijkheid van moment décisif was geweest, van het potsierlijke flesje chocomel in de klauwen van de andere beer die, onverstoorbaar op zijn kruk, doorgaat met optreden of er niets aan de hand is.

Bijten, bangheid, buurbeer, het is alles te zien. Maar vertellen doet deze foto iets anders. Hij gaat over een vrouw in haar onderbroek. Want in die vertoning schuilt de echte ramp.

Ik ben ervan overtuigd dat alleen een Nederlandse fotograaf een foto als deze kan maken. Hij had besef van het drama van de broek die een onderbroek werd.

Deze foto is dus, behalve zeldzaam knap, typisch Nederlands. Dat meen ik en dat laatste bedoel ik als een compliment.

Dat van dat compliment moet erbij. `Nederlands' mag, zeker in combinatie met `typisch', slechts gebruikt worden om te wijzen op iets miezerigs, als motie van aanprijzing is hij niet toegestaan. Ik loop nu het risico in de ban te worden gedaan door een columniste die maandag jl. in deze krant vaststelde dat de aanduiding `typisch Nederlands' `niet netjes' is. Niet netjes is niet hetzelfde als niet interessant.

Nederlands en niet-Nederlands, ze kloppen aan de deur. De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek schenkt aandacht aan `schrijvers die in Nederland wonen en in het Nederlands schrijven maar die geworteld zijn in een andere samenleving met een andere taal' en het thema van de aanstaande Boekenweek is `Het land van herkomst – schrijven tussen twee culturen'.

`Schrijven tussen twee culturen' veronderstelt een stempel van herkomst, een helder, strikt omlijnd begrip en in hun romans weten de immigranten en hun kinderen er goed weg mee. De Marokkaanse, Surinaamse, Bosnische, Turkse schrijvers en schrijfsters, ze zijn jaloersmakend zeker van inhoud en vorm van hun `wortels', als je hun werk vergelijkt met dat van de Nederlanders. Heimwee, ontheemd zijn, ze laten zich het best bestrijden met het koesteren van wat verloren is of zal gaan.

Voor wie aan de andere kant van de vergaarbak verkeert, ligt het gecompliceerder. Wat voor cultuur treffen ze hier aan, de allochtonen die hier hun thuis hebben gecreëerd? Wat komt hun aan Nederlandse cultuur voor de voeten?

Typisch Nederlands, niemand wil zeggen wat dat inhoudt. Moet het toch, dan vlucht men in clichés, zoals het gedurig schrobben van stoepen (ik zie dat nooit gebeuren; dertig jaar geleden nog wel eens, maar toen al was het uitzonderlijk). Of er wordt uit de losse pols beweerd dat de Nederlandse cultuur terneer wordt gedrukt door een alles benevelend calvinisme. Om de schouders van ons Nederlanders, Turks zowel als paaps zowel als protestants en joods, zou dat calvinisme een zware winterjas van moralisme hebben gedrapeerd. Die jas, hij is sleets en uit de mode, alleen nog geschikt als speelgoed. Trek hem aan en je bent een kleuter die rond paradeert in een vod uit een verkleedkist. Schattig, maar kinderachtig.

`Nederlands cultuur-eigen' en `nationale identiteit', het zijn kregelige, wrevelige begrippen. `We' hebben het er niet graag over, we hebben het hoe dan ook niet graag over `we'. Doen we dat toch dan duiken we weg. Dan zeggen we dat Nederland niets voorstelt en dat het gerebbel over de Nederlandse nationale identiteit een onwaardig onderwerp is. Grote Nederlandse kunstenaars, als ze al hebben bestaan, dan waren ze wereldburgers, zeggen we, geen Neder-, of nog erger, Hollanders.

Wat is er cultuur-eigen aan Nederland? Ga erover in gesprek en je krijgt ruzie. Beter is het om erover te zwijgen.

Maar nu de CPNB het thema `tussen twee culturen' boven ons heeft afgeworpen, kan dat niet. We zijn het verplicht om ons concreet voor te stellen wat die Nederlandse cultuur inhoudt, niet alleen aan onszelf, ook aan onze allochtone landgenoten.

De Nederlandse cultuur laat zich moeilijk op de staart trappen, want Nederland is leerbelust en imitatiedriftig. Het praalt graag met andermans veren, het vertroebelt het zicht op zijn wezen met geïmporteerde vorm en stijl.

Om bespied te kunnen worden, om te worden gedetermineerd en wie weet gedefinieerd, moet het eigene zo naakt mogelijk staan. De meeste kans op succes is, vermoed ik, gelegen in de kunsten.

Kunstenaars, goede kunstenaars, tonen hun hersens, hun ziel, hun kont. Ze laten zich kennen. In hun werk moet het te betrappen zijn, het `typisch Nederlandse'. Kijk naar kunst en je hebt kans dat het je ne sais quoi zich verpopt en dat het een blik gunt op een verborgen kern.

Vooral in de kunst van vroeger eeuwen heeft het Nederlandse karakter zich typerend naar de voorgrond gedrongen. `De Nachtwacht' van Rembrandt, dat schilderij is grootser dan de wereld aankan, elke reproductie, elke ansichtkaart maakt het onschadelijk. Het borrelt van erkende Nederlandsheid, inhoudelijk dan. Maar ook in aanpak: in het koude donkere licht van het schilderij duikt tussen de statige mannen dat meisje op. Alsof ze zich net op de plek bevindt waar even het licht van een voorjaarszon door de donderwolken breekt. Alleen iemand die het Nederlandse weer kent, komt erop dat zo te treffen. Hij weet wat zulk licht inhoudt – warm om te zien, koud om op je te voelen. Alleen iemand die opgroeide in het Nederlandse weer voelt zo'n finesse.

Vergelijk Rembrandts schilderijen met die van Paulus Potter. Potter is ook een reus, ook uniek. Maar hoe Hollands Potters onderwerpen ook zijn, zijn afbeeldingen houden hof in Italië. Zelfs Potters vee dat, te oordelen naar kleur en bouw in de Hollandse weiden thuishoort, graast op zijn Toscaans en dat is niet alleen omdat op zijn schilderijen de zon vaak zo warm schijnt.

Voor ons zijn Rembrandt en Potter geaccepteerde meesterwerken, voor een gesprek, voor weerstand, is hun status te groot. Zou de 17de-eeuwer, gevraagd naar de kern van de Hollandse cultuur, ook Rembrandt genoemd hebben als typerend voor de Lage Landen?

Misschien wel, waarschijnlijk niet. Wellicht was Rembrandt hem te controversieel, ongeschikt als ijkpunt. Hij zou het, net als wij, gezocht hebben in het verleden, en dan niet van zijn land maar van zijn stad. Ongelijk had hij daarom niet, in een discours als dit heeft iedereen evenveel gelijk als ongelijk. Gelijk omdat hij niet anders kan dan uitgaan van zijn eigen milieu en zijn eigen moment. Ongelijk omdat hij nooit kan bewijzen wat hij vindt en voelt.

Dan maar een spel, verwant met de Russische roulette. Dit spel draait om één vraag: welke kunstenaar maakt typisch Nederlands werk, welke niet? De kwaliteit van al deze kunstenaars staat buiten kijf. Nederlands of niet-Nederlands, daar gaat het om. Ja of nee.

Met het pistool aan de slaap is het verduiveld gemakkelijk beslissen:

Jan Wolkers wel; W.F. Hermans niet.

Vondel wel, Huygens wel, Hooft niet.

Ed van der Elsken wel, Johan van der Keuken niet.

Rudi van Dantzig niet, Hans van Manen onmiskenbaar.

Arthur van Schendel niet, ook niet Een Hollands drama of De grauwe vogels. Simon Vestdijk wel, ook Ierse nachten en zelfs Kind tussen vier vrouwen.

Wel alle films van Paul Verhoeven, ook Basic Instinct en Hollow Man. Maar Alex van Warmerdams films niet.

Mondriaan? Ja.

Bart van der Lek? Nee.

Voor mij is dat alles zo helder als glas, maar zo pertinent zijn leidt tot woede en hoon:

W.F. Hermans buiten de grens gooien? Hij is een van Nederlands grootste schrijvers. Mondriaans `Broadway Boogie Woogie' was nooit geschilderd als Mondriaan niet was neergestreken in New York.

Dat is waar. En toch.

Willem Frederik Hermans is de auteur van razende, knappe romans. Het geeft dan ook niets dat zijn werk eerder verwant is met bijvoorbeeld dat van Louis Ferdinand Céline dan dat het werd bestuurd door iets dat alleen een Nederlander, alleen een kind uit Amsterdam-West, weet en wil overbrengen. Leg de romans van Hermans naast de hartstocht waarmee Jan Wolkers te lijf gaat wat Nederland hem heeft ingegoten. Wolkers ademt Nederland in en uit. In zijn boeken, in zijn essays, in de ruisende kleurvlakjes van zijn recente schilderijen.

De enige geslaagde Wolkers-verfilming heette Turks Fruit en kwam uit handen van Paul Verhoeven. Verhoeven heeft succes in de VS, vermoedelijk wegens zijn, aldaar exotische, rotsvaste corrumperen van moraal en conventies. Hij gaat door, net zo lang tot een Hollywood-filmster als Sharon Stone haar benen van- en weer over elkaar slaat en in een flits onthult dat haar personage geen slipje draagt, en lak heeft aan wie daar een probleem van maakt. Choquerend, vond het Amerikaanse publiek en vervolgens ook Sharon Stone zelf. Alleen de landgenoten van Ria Kuyken bevroeden de volledige portee van die scène.

Een boek of film over Nederland maakt nog geen kunst die leeft bij, bouwt op of beantwoordt aan het cultuureigen van Nederland. De concrete inhoud misleidt al snel, het onderscheid zit in de vorm en in de greep op het onderwerp. Vorm en inhoud liggen samen in de sluis. Zijn ze eensgezind en die sluis gepasseerd, dan blijkt dat de Nederlandse kunst in de kern documentair is. Lucifer van Joost van den Vondel speelt zich af in de hemel, maar au fond is het oorlogsverslaggeving, met het Paradijs als standplaats:

Al wat men hoort en ziet, is schrik, en angst, en zuchten.

Zij vluchten voor hun schim, maar kunnen niet ontvluchten

Het lijkt Nova wel.

De verslaggeving is niet, zoals het vooroordeel wil, calvinistisch belerend. Wel eigenwijs. Eigen wijs. Waar de meeste kunstenaars streven naar aandacht voor hun persoonlijke blik op de werkelijkheid met de nadruk op die eigen persoon, beweert de typisch Nederlandse kunstenaar dat de zijne dé werkelijkheid is. De enig mogelijke, en de toeschouwer heeft hem te accepteren.

`Broadway Boogie Woogie' ís Broadway volgens Mondriaan. Zo zijn ze, de klanken van het verkeer, de jazz, het neon, zo voelt de krankzinnige vaart en zo, met die lange en korte vlakjes rood en geel en wit laat je dat zien. Dat hij voor dat schilderij werd geïnspireerd door New York is vers twee. Was hij in Rome neergestreken dan had hij, op een vergelijkbare manier, `Via Veneto Rumba' gemaakt. Nee, die had hij niet gemaakt, Mondriaan had die vastgesteld.

De kenmerkend Nederlandse kunstenaar reflecteert op de tastbare werkelijkheid, pure fantasie interesseert hem minder. Hij herschept de werkelijkheid op zijn voorwaarden, en hij doet dat in het vaste vertrouwen dat de kijker, toehoorder, lezer, niet anders kan dan beamen dat die werkelijkheid zo in elkaar steekt. Daarbij meent de kunstenaar oprecht dat die werkelijkheid van hem algemeen geldig is. Zijn werk schreeuwt het uit: zo zit het in elkaar, lui. Dit is het. Zoek niet verder, geloof míj nou maar.

Die wie-doet-me-wat-attitude heeft bijvoorbeeld geleid tot de foto's van Ed van der Elsken. Zijn wereld, vastgelegd in zijn fotoboeken, vond zijn oorsprong in Parijs, in de jaren vijftig. Waar collega Johan van der Keuken de nouvelle vague zo liefderijk zou omarmen dat hij geen baat vond bij een Nederlandse kijkwijze, bleef Ed van der Elsken het Amsterdamse schoffie. Met een gezonde kleur op zijn smalle smoel en een sjekkie vrolijk tussen zijn tanden. Existentialisme? Me reet! Maar wel mooi, potverdorie wat kijk ik graag naar die verloren bohémien-kinderen in Saint Germain.

Parijs werd zijn `werkterrein', formuleerde hij later. Hij ving er een ronde mooistemeisjesbuik in een T-shirt.

Zo is Parijs, jongens, geloof me nou gewoon.

Puur Nederlands kijken steekt er in de foto's van Ed van der Elsken. Zijn werk staat niet alleen. Anders, maar net zo onversneden komt het naar voren in de gedaanten van de hedendaagse Nederlandse fotografe Rineke Dijkstra. In haar foto's van net bevallen vrouwen met hun nieuwe baby's tegen zich aangedrukt. In haar portretten van scholieren. In het meisje in Tiergarten in Berlijn. Ze kijken in de lens, lachen doen ze nooit, huilen ook niet, en sjansen evenmin. Maar de emotie spat er vanaf.

Ik houd van het werk van Rineke Dijkstra, ik herken het. Uit haar werkelijkheid maak ik op wat me heeft gebracht tot dit punt in de tijd op deze drasse grond.

Iedereen ter wereld kan de foto's van Rineke Dijkstra bewonderen. Alleen de in Nederland opgegroeide mens kan het geheim ervan bevroeden. Elke boreling krijgt het mee, vanaf de eerste keer dat hij door zijn vader en moeder wordt omhelsd, de eerste keer dat hij alleen naar buiten mag, de eerste keer dat hij een blokje om fietst.

Is dit nu hoe ik ons zie? Of is het hoe ik ons graag zie?

Volgende week begeeft Marjoleine de Vos zich in het holst van Nederland