Eet me, Grote Satan

Salman Rushdie had het goed verbruid in Engeland. Een storm van kritiek stak op toen de gevierde auteur van The Satanic Verses eind vorig jaar zijn plannen bekendmaakte om Engeland, dat hem jarenlang tegen de fatwa van Khomeiny had beschermd, te verlaten. Hij zou zich, met chirurgisch opgetrokken oogleden èn een ravissante nieuwe vriendin, het ex-fotomodel Padma Lakshmi, in New York vestigen. In The New York Times hekelde hij het literaire wereldje van Londen bovendien als `rancuneus en achterbaks'.

Hij heeft het geweten. Punk-columniste Julie Birchill brieste in The Guardian over de hebzucht, het ondankbare egoïsme en landverraad van schrijvers als Martin Amis en Rushdie, die uitwijken naar Amerika, de Grote Satan, omdat hun `waardeloze rotboeken' daar beter verkocht worden. Ook andere Britse media buitelden over elkaar heen in een poging Rushdie een kopje kleiner te maken. De fatwa was opgeheven, de backlash begonnen.

De eerste tekenen daarvan waren al eerder zichtbaar. Na het intrekken van het Iraanse doodvonnis kwam Rushdie met het exuberante The Ground Beneath her Feet (1998), een epos over liefde en popmuziek, dat wereldwijd werd gelanceerd met een muzikale steunverklaring van de rockgroep U2. De ontvangst was gemengd: Rushdie's vertelling was opnieuw virtuoos, meeslepend, duizelingwekkend, maar ergens halverwege ging de roman verloren. Tim Parks hekelde het boek in The New York Review of Books als een lichtzinnig New Age-boek, waarin behendig wordt gejongleerd met multiculturele mythologie, reclame-idioom en popjargon, en waarin snelheid het gebrek aan diepgang doet vergeten. `Het potentiële publiek is reusachtig', besloot Parks zijn mismoedige kritiek.

Zevenhonderdduizend stuks zijn er nu gedrukt van Rushdie's nieuwe roman Woede, een werk waaraan hij vorig jaar in New York is begonnen en dat door de CPNB is verworven als boekenweekgeschenk. De Engelstalige editie, Fury, verschijnt in het najaar. De titel dekt de lading: Rushdie heeft het allereerst over de `furie', in de zin van woede (of razernij) van de naar New York uitgeweken Brits-Indische intellectueel Malik Solanka, zijn worsteling met drie vrouwen (furiën), een rampzalig verleden, en een eerst lucratieve, daarna onthechte toekomst. Maar de roman gaat ook over de razernij van de moderne tijd, de digitale gekte van internet, de verborgen agressie in raciale verhoudingen, de hysterie van de consumptiecultuur, de woede van etnische strijd en de `furie' van scheppingsdrift.

Echte Rushdie

Woede heeft alles van een echte Rushdie, en tegenwoordig is dat niet meer louter een compliment. Net als in The Ground Beneath Her Feet springt de auteur soepel van de ene langsdrijvende mythologische ijsschots naar het volgende voorbijglijdende stuk drijfhout uit de popcultuur. Er valt zodoende een hoop plezier te beleven. Rushdie's gevoel voor extravaganza is nog altijd scherp, zijn taalgebruik is vitaal en doorspekt met vondsten als `kurkentrekkers van driehonderd dollar' en, voor een hippe Amerikaanse begrafenis, `een open kist-situatie'. Rushdie's observatie dat onder de stinkend rijke oppervlakte van de westerse wereld een onderstroom van onbehagen en woede kolkt, is trefzeker, al wordt die nergens echt uitgewerkt.

Voor Nederlandse lezers komen daar ten slotte Rushdie's verwijzingen bij naar het Rijksmuseum en – vooral – de beschavende invloed van Surinaamse immigranten: niet alleen zijn de Surinaamse vrouwen `onmogelijk aantrekkelijk', maar het voetbal van Davids, Kluivert, Gullit en Rijkaard is bovendien `het levende bewijs van de voordelen van rassenvermenging'.

Toch bekruipt je al vrij snel het onbehaaglijke gevoel dat dit boek, ondanks alle spitsvondigheid en de rake formuleringen, mank gaat aan hetzelfde euvel als zijn voorganger, maar in heviger mate. Door het burleske plot verkruimelt de aanvankelijke inzet van de roman – de morele dilemma's van Malik Solanka, zijn behoefte aan verlichting – gaandeweg als bladerdeeg. Als alle grapjes en trouvailles en associaties zijn begrepen en verteerd, vervliegt Woede in een bedwelmende wolk Zeitgeist.

Hoofdpersoon Malik Solanka is naar Amerika vertrokken om `zichzelf uit te wissen', nadat hij zichzelf in het holst van de nacht had aangetroffen met een keukenmes boven zijn slapende vrouw en kind, in de greep van een blinde woede. Hij vertrekt subiet, om `vrij van gehechtheid en dus ook van boosheid, angst en pijn' te zijn. `Eet me op Amerika', bid hij, `scan me, digitaliseer me, straal me op'. Amerika is hier allereerst weer het heerlijk oppervlakkige land waar je als kind van de Oude Wereld herboren wordt door je met beide handen te warmen aan de roodgloeiende dynamo van het moderne leven. De ommekeer loert al tussen de superlatieven. Want Amerika is natuurlijk óók een land vol zielloze, verwarde individuen, ten prooi aan moreel verval en desintegratie `in deze tijd van openbaar hedonisme en persoonlijke angst'.

Dit eerste deel van Woede is nog aanstekelijk en prikkelend, alleen al door de rake uitsnedes uit het Amerikaanse stadsleven, het spervuur van verwijzingen naar literatuur en popcultuur, en Rushdie's hilarische associaties – zoals de terloopse gedachte dat we dankzij de ontcijfering van het menselijk genoom misschien wat extra ledematen kunnen laten aangroeien `om het probleem van lopende buffetten op te lossen, zodat je een wijnglas en een bord kan vasthouden en eten tegelijk'. De schildering van de geweldscultuur van een blanke mannenclub, en de executie van een zwart aspirant-lid, is huiveringwekkend. Ook de innerlijke monoloog van Solanka, die door zijn razernij en black-outs begint te vrezen dat hij wel eens de `betonmoordenaar' kan zijn die in New York jonge rijke vrouwen doodslaat en scalpeert, is beklemmend. Waar komt die woede vandaan? Wat heeft hij met poppen? Waarom wil hij niet dat tijdens het liefdesspel zijn kruin wordt aangeraakt? Wat is zijn geheim?

Het teleurstellende van Woede is dat al die vragen worden beantwoord, en hoe. Malik Solanka's ongerichte woede blijkt verknoopt met een obsessie voor poppen, die in het boek allerlei dubbelzinnige betekenissen krijgen. Na een academische loopbaan is hij in Engeland beroemd – en steenrijk – geworden met zijn `Breinmeisje', een eigentijdse meisjespop die, onder meer als gastvrouw in een tv-programma met historische genieën, een wereldwijd mediafenomeen werd. In New York hervindt Solanka, die steeds meer ging gruwen van de exploitatie van zijn geesteskind, het Breinmeisje in de persoon van Mila, straatkind en whizzkid, die een incestueuze vaderliefde met hem naspeelt en hem de inspiratie geeft voor een nóg groter en nog succesvoller sci-fi-poppenproject, ditmaal op internet.

Piepende remmen

Maar het is een andere vrouw die Solanka verlost van zijn woede: de bloedmooie journaliste Neela, afkomstig van het Zuidzee-eilandje Lilliput-Blefuscu. `In Neela's armen voelde Solanka hoe hij begon te veranderen, hoe de zo gevreesde innerlijke demonen met de dag zwakker werden en hoe zijn onvoorspelbare drift plaats maakte voor de wonderlijke voorspelbaarheid van zijn nieuwe liefde. [...] Woede kwam voort uit wanhoop, maar Neela was de vervulde hoop.' Geen wonder. De journaliste is een vrouw die – en dat is het slapstick-hoogtepunt van het boek – taxi's met piepende remmen tot stilstand laat komen, glazenwassers van hun stellage laat kieperen, en politie-agenten hun hoofden tegen elkaar laat slaan.

Na de slapstick is er het sentiment. Incest blijkt de sleutel. Mila werd misbruikt door haar vader – maar Solanka zelf blijkt ook het slachtoffer van incest. Zijn vader dwong hem een meisje te zijn (de obsessie met poppen!) en hem oraal te bevredigen, waarbij hij zijn hand op het hoofd van zijn zoon legde (het aanraken van de kruin! de gescalpeerde vrouwen!).

Het is niet de enige melodramatische bocht die Rushdie neemt. Aan het eind komen alle verwarrende verhaallijnen samen. Solanka reist Neela achterna naar Lilliput-Blefuscu, waar ze een reportage maakt over een bittere etnische strijd die in real life Solanka's militante internetspel nabootst. Het laatste is een zoveelste zinspeling van Rushdie op het verdwijnende onderscheid tussen de virtuele en de `echte' werkelijkheid (en dat tussen mensen en poppen); een postmodern inzicht dat intussen al zo wijdverbreid is, dat het gerust een cliché mag heten. Neela raakt vervolgens in de greep van de revolutionaire furie: eindelijk heeft ze een grote zaak gevonden. En alles eindigt daarna in de rokende chaos van coup en tegencoup. Verlost van zijn woede, kan Solanka tenslotte eindelijk een onthecht leven beginnen, als een stedelijke sanyassin. Hij is bevrijd, niet door de razernij van Amerika, maar door die van de liefde.

De apotheose van dit boek heeft elementen van een Disney-tekenfilm, een felgekleurd romantisch epos uit de filmfabriek van Bombay, en een cyberpunk-stripverhaal. Temidden van al die steeds lichtzinniger en kolderieker verwikkelingen gaan de ambitieuze inzet en beklemming die het eerste deel nog heeft, verloren. Wat aanvankelijk een prikkelende intrige beloofde te worden, mondt uit in een melodrama over incest, liefde en waarheid, om daarna als een bal siervuurwerk uit elkaar te spatten.

Tussen de vuurballen door, worden we gesticht over `Galileo-momenten', waarin de keuze valt tussen `gevaar en waarheid' of `voorzichtigheid' en `leugen'. Solanka's Breinmeisje ging een keer `te ver' in haar tv-programma, toen ze Galileo Galilei, door de paus vervolgd omdat hij meende dat de aarde om de zon bewoog, `op de bierzuipende, vuilbektoon van de nieuwe grrls' had toegebeten: `Man, ik had dat gezeik nooit gepikt'. Solanka beseft nu pas dat ze gelijk had. `Galileo-momenten' zijn `de dramatische gelegenheden waarbij het leven de levenden vroeg of ze kozen voor het gevaar en de waarheid, of voor voorzichtigheid en tegen de waarheid'.

Als Neela haar geloof in de leugens van de revolutie verkondigt, bezweert hij haar: `Dit is het, Neela, je Galileo-moment. Draait de aarde? Niet zeggen, ik weet het antwoord al. Maar het is de belangrijkste vraag die je ooit gesteld zal worden, afgezien van de vraag die ik je nu ga stellen: Neela, houd je nog van me?' Waarop Neela antwoordt: `En ik maar denken dat ik de ouwehoer van het gezelschap was.' Na de ernst meteen de kwinkslag – zo gaan die dingen in Hollywood, en zo gaan ze ook het Boekenweekgeschenk van Salman Rushdie. Maar een eigen `Galileo-moment' heeft Rushdie met dit boek niet gevonden. Daarvoor is hij, zou je bijna zeggen, wel furieus maar niet woedend genoeg.

Salman Rushdie: Woede. Vertaling Karina van Santen, Jan Pieter van der Sterre en Martine Vosmaer. Boekenweekgeschenk.

CPNB, 254 blz. Gratis bij aanschaf van een Nederlandstalig boek ter waarde van ƒ24,50.

De Engelse versie, Fury, verschijnt in het najaar.