Een trage tor

Dit is het eerste gedicht uit de bundel Autobiografisch Woordenboek (1963) van Jan Emmens:

Volgens Odo

Ik voel mij vandaag wat eens volgens Odo,

een abt (tiende eeuw), de kruipende dieren

geweest moeten zijn: uit modder geboren.

Een trage tor, alleen op de wereld

en nimmer beschreven, zelfs niet door een abt.

Altijd als ik het lees moet ik even grijnzen, en grimlachen, en ik krijg de neiging even te knikken, als teken van instemming. Volgens Odo is zo'n gedicht waarvan ik denk: zo moet het, zo zeg je dat. Af, rond, mooi afgerond. Ik verbeeld me dat de toon helemaal goed is, de dictie perfect, de dosering feilloos, de stijl precies zoals hij moet zijn – maar dat zijn vermoedelijk alleen maar andere, en omslachtigere manieren om te zeggen dat er voor mijn gevoel helemaal niks mis is met deze vijf regels en deze 36 woorden in totaal. `Als ik mij vandaag zo voelde als Emmens, dan zou ik het ook zo gezegd willen hebben' – en ook dat is weer een andere manier om te zeggen dat ik mij met deze wijze van spreken verwant voel.

Waar zou hem dat in zitten? Kwestie van overeenkomstige ademhaling, hartslag, inwendige ritmiek? Zelfde bioklok met identieke frequenties in de vijfregelige boventonen? Er zou voor dit merkwaardige gevoel van samenval toch ergens iets meetbaars aan te wijzen moeten zijn, op medische, biologische of natuurkundige grondslag. Maar bij mijn weten heeft de stijlwetenschap er tot nu toe nog geen instrument voor weten te ontwikkelen, en ook nog geen begrippenapparaat, behalve dan zoiets vaags als herkenning.

Het is natuurlijk ook mogelijk dat ik mezelf voor de gek houd en met een grote boog om de maar al te duidelijke, en mij uit eigen ervaring helaas maar al te bekende inhoud probeer heen te lopen. Hier spreekt iemand zijn gevoel van moedeloosheid uit, niet op gang kunnen komen, een stemming van somberte en isolement en een besef van eigen viezigheid. Misschien probeer ik het veiligheidshalve maar in geleuter over hartslagen en bioklokken te zoeken, terwijl de ware reden voor het gevoel van verwantschap ergens in de depressieve inhoud moet liggen.

Intussen is het nog niet eens zo eenvoudig om te zeggen waar dit gedicht over gaat, want er worden in die vijf regels nog heel wat wendingen gemaakt. Eerst is daar al eens het mechaniek van de intellectuele distantie, dat meteen in werking wordt gezet na het veel te persoonlijke begin met `ik voel mij vandaag'. Het gedicht vervolgt niet met `ik', maar met ene Odo, abt van beroep, nooit van gehoord. Het gaat niet verder over `vandaag', maar over de tiende eeuw. En niet over gevoel, en ook niet over gevoelens van zekere kruipende dieren, maar over wat die dieren in de visie van voornoemde abt geweest moeten zijn: uit modder geboren – een veronderstelling waarvan ook al weer eeuwenlang vaststaat dat ze onjuist is. Emmens neemt een enorm ingewikkelde, maar door die ingewikkeldheid ook wel weer grappige omweg om een eenvoudige mededeling te doen: ik voel mij vandaag als uit modder geboren.

Bij dat zompige besef voegt zich nog het gevoel een tor te zijn, en een trage tor bovendien. Men zou even aan Kafka kunnen denken, aan Die Verwandlung: het treurige verhaal van de man die 's ochtends bij het ontwaken tot zijn schrik merkt dat hij in een kever is veranderd. Bij `alleen op de wereld' dient zich ook nog een literaire verwijzing aan: naar het gelijknamige kinderboek van Hector Malot. Als Emmens zich hier als Kafka's kever voelt of als de vondeling Rémi uit Sans famille, dan is zijn lot nog schrijnender, want in tegenstelling tot hen wordt hij niet eens beschreven. Hij blijft een naamloze, traag uit de modder kruipende tor, door niemand ooit opgemerkt, zelfs niet door een abt. Dat klinkt als het toppunt van troosteloosheid, maar in die laatste toevoeging speelt tegelijk toch ook ironie mee: zo deskundig was die abt immers niet, zoals we gezien hebben. En voor de weinig kerkse Emmens zal het woord van een kloostervader ook weer niet al te veel waarde hebben gehad.

Onder het gedicht als geheel gaat dan nog weer een extra dubbele bodem schuil, die opnieuw voor de nodige afstand zorgt. De klacht over het eenzame, modderige, onbeschreven torrenbestaan is wel degelijk genoteerd, in een gedicht nog wel, dat nog gepubliceerd is ook, zodat de klacht zichzelf met het uitspreken ervan meteen ook weer opheft. Existentiële hartenkreet en intellectueel geintje, pathetische toon en superieure kwinkslag, smart en spot – die twee tegenstrijdigheden zijn hier knap in maar vijf regels ondergebracht.

Bij deze inhoudelijke analyse zou je het kunnen laten, maar toch liet dat me met een onbevredigd gevoel achter, alsof er zich nog ergens een niet onder woorden gebrachte kern bevond. In de vorm, zou ik denken, of in de stijl, maar waar dan? Was dit om te beginnen eigenlijk wel een gedicht? Van rijm was geen sprake, en ook niet van een bovengemiddeld allittereren. Geheim binnenrijm? Ook niet echt. Ging het hier welbeschouwd niet om een dagboeknotitie, een aforisme of een alinea, gevat in twee goed lopende prozazinnen?

Het kostte enig trommelen en metrisch neuriën, de tekst wegleggen en weer opnemen, van veraf bekijken en van dichtbij om te zien dat deze vijf niet rijmende regels ieder voor zich in twee duidelijke helften uiteenvielen, met stevige natuurlijke pauzes (achter resp. `vandaag', `eeuw', `zijn', `tor' en `beschreven'). En de aldus ontstane tien delen bleken ieder te bestaan uit een trio van een onbeklemtoonde, een beklemtoonde en weer een onbeklemtoonde lettergreep (`ik voel mij', `alleen op') gevolgd door een duo van een onbeklemtoonde en een beklemtoonde lettergreep (`vandaag') of door nog zo'n trio (`de wereld'). Acht van de tien helften houden zich keurig aan het schema. Alleen de zevende (`een trage tor') en de tiende (`zelfs niet door een abt') onttrekken zich eraan. Volgens de leer zou ik nu moeten bewijzen dat deze afwijkingen inhoudelijk ook een functie hebben. Dat lukt altijd wel, maar het wordt al gauw vergezocht. Ritmisch zijn ze echter onmisbaar, deze afwijkingen: ze maken het verschil uit tussen een dreun en levendige muziek.

Wie er eenmaal oog en oor voor heeft gekregen merkt dat er onder dit depressieve gedicht met zijn academische betoogtoon zowaar een dansend ritme (`alléén op de wéreld en nímmer beschréven') schuilgaat. Misschien heb ik het hier met de trio's (officiële naam: amfibrachys) en de duo's (officiële naam: jambe) wat knullig beschreven, maar het gaat om het effect. En om het daarmee verbonden inzicht dat het deze lichamelijke ervaring, deze wieg door de heupen, deze roffel met de vingertoppen moet zijn geweest die mij vanaf het begin zo vanzelfsprekend met dit desolate moddertorrenvers heeft doen instemmen. Het gaat over een kruipend dier, een trage tor, maar zijn armzalige lot wordt met Schwung bezongen.

Jan Emmens: Autobiografisch woordenboek.

Van Oorschot, vierde druk, 52 blz. ƒ14,90