Een patriot tegen elke prijs

William Duikers monumentale biografie van de vader van het communistische Vietnam opent met een typerende gebeurtenis. Op 2 september 1945 beklom de vrijwel onbekende Ho Chi Minh een in allerhaast opgericht podium, ergens in Hanoi. De magere man, gekleed in een kaki jasje en op rubberen sandaaltjes, stelde zich voor als `een patriot met een lange staat van dienst', en riep daarop de onafhankelijkheid van zijn vaderland uit. Om zijn woorden kracht bij te zetten droeg de beoogd president de tekst van de nieuwe grondwet voor. Deze stipuleerde onder meer dat alle mensen door hun schepper met onvervreemdbare rechten zijn begiftigd, zoals leven, vrijheid en het nastreven van geluk.

Het leek of het nieuwe Vietnam werd geleid door een liberale nationalist, vooral geïnspireerd door de Amerikaanse Revolutie. `Ho Chi Minh' was echter een schuilnaam. De in 1890 als Nguyen Sinh Cung geboren Ho had zich eerder Nguyen Ai Quoc genoemd, Nguyen de Patriot. Alweer dat patriottisme. Maar onder die naam had hij in 1930 de Indochinese Communistische Partij opgericht. Eenmaal Ho Chi Minh geworden, ontkende hij jarenlang glashard een en dezelfde persoon te zijn. Tot lang na de Tweede Wereldoorlog lukte het hem de wereld om de tuin te leiden: deze vriendelijke man met mandarijnenbaardje zou hooguit wat vage sympathieën voor het communisme koesteren.

Het is niet verrassend dat in het debat over het leven van de grote Vietnamese revolutionair de relatieve betekenis van de communistische en nationalistische component altijd een centrale rol heeft gespeeld. Duikers' boek benadert de kwestie op bewonderenswaardig gedistantieerde wijze. De auteur was in de jaren zestig werkzaam op de Amerikaanse ambassade in Saigon, maar hij lijkt geen enkele `axe to grind' te hebben, noch in de ene noch in de andere richting. Dat is opmerkelijk gezien het feit dat Ho Chi Minh in de Verenigde Staten nog altijd een omstreden figuur is. Uit Duikers gedegen studie mag men concluderen dat Ho in de eerste plaats een Komintern-agent was, overtuigd communist, maar zijn Vietnamese patriottisme was daarmee niet minder reëel.

Kok

Ho werd geboren in het gezin van een confucianistische ambtenaar die een hekel had aan de keizer vanwege diens dienstbaarheid aan de Franse machthebbers. Hij studeerde aan de Franstalige Nationale Academie in Hué, en leerde ook Engels, Chinees en Russisch. Maar een uitgesproken studiehoofd werd Ho nooit. Ook in zijn carrière als communistisch voorman toonde hij weinig belangstelling voor ideologische vraagstukken. Hij was practicus en strateeg.

In 1911 monsterde Ho aan als kokshulp op de Admiral Latouche-Tréville richting Marseille, om het geheim van de Franse macht met eigen ogen te aanschouwen. De erbarmelijke omstandigheden in havensteden als Singapore, Colombo en Port Said wekten in hem de eerste antikapitalistische verontwaardiging. Zucht naar avontuur was hem trouwens niet vreemd. Hij werkte ook nog enkele jaren in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, onder meer als verwarmingsmonteur en huisbediende. Curieus is zijn korte loopbaan als kok in het Londense Carlton Hotel onder de beroemde chef Auguste Escoffier, die hem veelbelovend vond.

Kort na zijn terugkeer in Frankrijk in 1918 besloot hij zich bij de socialistische partij aan te sluiten. Boris Souvarine, die hem in die tijd ontmoette, maakt gewag van zijn `Chaplineske aura, treurig zowel als komisch'. Doorslaggevend in zijn communistische keuze waren Lenins Thesen over het Nationale en Koloniale Vraagstuk. Lezing van deze stellingen bezorgde de zoekende patriot een ware bekeringservaring. `Ik was tot tranen geroerd. Alleen op mijn kamer schreeuwde ik het uit, als sprak ik een groot publiek toe. Landgenoten, dit is de weg!' Dat Ho een overtuigd communist werd lijdt geen twijfel, maar dat het koloniale vraagstuk in deze keuze de hoofdrol speelde evenmin.

Op het beroemde socialistische congres van Tours in 1920 stemde Ho vóór oprichting van de Franse Communistische Partij. Hiermee was zijn koers bepaald. In 1923 vertrok hij naar Moskou, waar hij werd opgeleid tot functionaris van de Komintern. Het jaar daarop reisde hij af naar Zuid-China, om daar de oprichting van een Vietnamese communistische partij voor te bereiden.

Vanaf dat moment verdwijnt hij uit het zicht, hij wordt geabsorbeerd door het internationale communistische apparaat. Ironisch genoeg kon hij zijn oude zwervende bestaan echter gewoon voortzetten – nu niet meer als proletarische bohémien, maar als stalinistische beroepsrevolutionair. Zijn werk voert Ho na een periode in China eerst weer naar Moskou, gevolgd door een verblijf in Thailand – om daarna weer in China op te duiken. Zoals gebruikelijk in deze kringen, is van een enigszins gestabiliseerd privé-leven dan inmiddels geen sprake meer. Zijn vrouw laat hij min of meer terloops ergens achter, om haar nooit meer te zien.

Na arrestatie door de Britse autoriteiten in Hongkong in 1931, gevolgd door een moeizaam bevochten vrijlating, keert hij terug naar Moskou waar hij tot 1938 blijft hangen, om dan voor de zoveelste maal naar Zuid-China af te reizen. Duiker maakt aannemelijk dat gedurende deze gehele tijd een brede antikoloniale eenheid voor Ho van overwegende strategische betekenis blijft. Binnen de Komintern werd hij gezien als een man van de gematigde lijn, voor wie de klassenstrijd voorlopig van secundaire betekenis was vergeleken met de vorming van een coalitie tegen het Franse bewind. Dit kwam hem aanvankelijk op kritiek te staan, maar het redde hem in 1937-'38 van de ondergang. Inmiddels was ook Stalin tot de conclusie gekomen dat het sectarisme contraproductief was. Het waren juist de linkse diehards in het internationale apparaat die tijdens de Grote Terreur voor het executiepeloton kwamen.

Het leiderschap van Ho Chi Minh in de latere gewapende strijd tegen het Franse kolonialisme, en daarna tegen het door Washington gesteunde Zuid-Vietnamese bewind, vertoont een fascinerende continuïteit met zijn eerdere leven. In de jaren vóór 1945 was hij altijd leider op afstand geweest, commentaar gevend, zuchtend en steunend vanuit China of Thailand, maar nooit de directe organisator ter plekke. Hij klaagde dat de Komintern hem geen toestemming gaf om terug te keren naar Vietnam en hem slechts als `postbus' gebruikte. Maar het is de vraag of dit hem eigenlijk niet goed uitkwam. Al zijn patriottisme ten spijt, was dit toch een rusteloze man die van jongs af aan bij voorkeur zwierf en zich niet vastlegde op een routine van verplichtingen.

Typerend genoeg zag Ho er later van af secretaris-generaal van de communistische partij te worden. Die post liet hij gaarne aan organisator Truong Chinh. Binnen de kring van zijn naaste kameraden werd Ho nooit meer dan de meest gezaghebbende stem. Zijn macht tegen hun wil doorzetten was voor hem niet weggelegd, en hij wenste het vermoedelijk ook niet. Hij was, zoals Duiker zegt, de `ziel' van de Vietnamese revolutie, niet de architect.

Gandhi-act

De keuze van zijn schuilnaam lijkt betekenisvol. Ho Chi Minh is `de Verlichter'. Hij wees de weg, maar hoefde niet zelf achter het stuur. Hij was enkel Oom Ho, de man met het blauwe jasje en de slippers, de aandoenlijke man die altijd een oude typemachine met zich meezeulde en in een tuinhuisje van het presidentiële paleis woonde. Deze Gandhi-act was ongetwijfeld bedoeld om zijn aura van eenvoud kunstmatig te versterken. Ondertussen hingen zijn reusachtige portretten naast dat van Stalin. Maar dat Ho zijn persoonscultus deze vorm gaf en geen andere, tekent hem toch.

Ook zijn afkeer van sektarisme en politieke onbesuisdheid verliet hem na 1945 niet. Hij was een knap diplomaat, zoals blijkt uit zijn succesvol onderhandelen in de eerste jaren van de Democratische Republiek Vietnam met de Chinezen, Britten en Fransen. Door radicale nationalisten werd hij toen zelfs als landverrader afgeschilderd. Ook later, als oorlogsleider, waarschuwde hij aanhoudend tegen overijlde offensieven. Dezelfde tactische benadering domineerde zijn binnenlands beleid. Ho was niet, zoals Stalin, de drijvende kracht maar eerder een matigende factor in de terreur van de landhervormingen – hetgeen trouwens aan zijn eindverantwoordelijkheid niets afdoet. Binnen zijn partij was Ho dan geen radicale drijver, een partijdictatuur vestigde hij wèl.

Het probleem van de in 1969 overleden Ho Chi Minh gaat dieper dan de vraag of hij communist dan wel nationalist was. Hij was beiden, maar hoe belangwekkend is deze conclusie eigenlijk? Dezelfde ambivalentie was immers de meeste communisten eigen – niemand minder dan Jozef Stalin zette hier de toon. Ook een nationale, antikoloniale bevrijdingsstrijd kan doordrongen zijn van een onverzettelijkheid die meer schade dan goed doet. Misschien de meest typerende woorden uit Duikers boek – Ho liet ze zich lang vóór de Vietnamese Oorlog eens ontvallen: `We moeten de onafhankelijkheid tegen elke prijs bereiken, al zouden onze bergen er vlam voor moeten vatten.' De B52's hebben deze nachtmerrie gerealiseerd, maar Ho vond de prijs kennelijk bij voorbaat al niet te hoog.

In zijn op zichzelf lovenswaardige en geslaagde poging een afgewogen portret te schrijven laat Duiker dit soort morele dilemma's, die de gewelddadige twintigste eeuw zo kenmerkten, grotendeels onbesproken. Dat lijkt mij in het geval van een man als Ho Chi Minh beslist een omissie. Diens uiteindelijke historische beoordeling blijft daarom ook na dit standaardwerk toch een open vraag.

William J. Duiker: Ho Chi Minh. Hyperion, 720 blz. ƒ96,60