Een lastige heilige

Zijdelings voortbordurend op zijn succesvolle bundel vertalingen van Chinese vrouwenliteratuur, getiteld De onthoofde feministe (1999) is de Nederlandse meestersinoloog W.L. Idema recentelijk gekomen met een boek over Guanyin, de bekendste en geliefdste `bodhisattva' uit het Chinese boeddhistische pantheon. Guanyin was, zoals in het voorwoord wordt uitgelegd, oorspronkelijk een mannelijke godheid (Avalokitesvara), maar wordt in China sinds de 11de eeuw in vrouwelijke gedaante aanbeden. Zij is de bodhisattva van de barmhartigheid, zij die alles hoort en ziet, en altijd klaarstaat om de helpende hand te bieden aan hen die tot haar bidden.

De hoofdmoot van het boek is Idema's vertaling van De kostbare rol van de Wierookberg, een bij vlagen meeslepende tekst over het leven van de vrome prinses Miaoshan, die zich ondanks alle wereldse verleidingen en ondanks de ouderlijke druk om zich te laten uithuwelijken, van jongs af aan louter het verwerven van het boeddhaschap ten doel stelt. Wanneer haar vader, de koning, uiteindelijk zo verbolgen over haar ongehoorzaamheid raakt, dat hij haar terecht laat stellen, ontsnapt zij op miraculeuze wijze en belandt op de Wierookberg, alwaar zij zich in volstrekte afzondering aan meditatie wijdt en allengs dichter tot het Nirvana geraakt.

Inmiddels hebben de goden de koning gestraft met een enge ziekte die, zo blijkt, alleen maar genezen kan worden met een medicijn, bestaande uit de handen en ogen van een persoon die bereid is deze vrijwillig af te staan. De prinses, die zich intussen aan de lezer geopenbaard heeft als de bodhisattva Guanyin, is zich vanzelfsprekend bewust van de leegte van het bestaan en de irrelevantie van het lichamelijk omhulsel, en laat derhalve zonder een zweem van wrok haar ledematen afhakken en haar ogen uitsteken. De koning wordt genezen, hervindt zijn dochter, die zich nu ook aan hem als de bodhisattva vertoont. De koning wordt daardoor bekeerd en legt zijn wereldse status af.

De tekst stamt uit de boeddhistische hagiografie, maar vermengt deze met een vleugje confucianisme, met name waar het de centrale confuciaanse deugd van de trouw aan de ouders betreft. De prinses schiet haar vader immers uiteindelijk toch te hulp, ondanks het feit dat hij haar bij eerdere gelegenheden onder huisarrest heeft geplaatst, het paleis uit heeft gejaagd en pogingen heeft gedaan haar bij een brand te laten omkomen, haar in repen te laten snijden en haar te laten onthoofden. Hetzelfde stramien keert terug in de drie andere, veel kortere en mijns inziens minder interessante, teksten die Idema voor dit boek heeft vertaald.

Het verhaal van prinses Miaoshan heeft, net als vele andere legenden over Guanyin, een eeuwenlange traditie in de Chinese volksliteratuur. De versie die Idema vertaalde, behoort tot het genre genaamd baojuan (`kostbare rol'). Teksten in dit zeldzame genre zijn qua vorm prosimetrisch (afwisselend in proza en rijm geschreven) en qua inhoud over het algemeen stichtelijk, aangezien de teksten waren bedoeld om voorgedragen te worden aan gelovigen. Het leuke van boeddhistische volksliteratuur is echter dat de stichtelijke boodschap altijd verpakt gaat in grandioze fantasievoorstellingen over hemel, hel, goden en wonderen, die ook voor niet-gelovigen aangename leeskost zijn, en die hemelsbreed verschillen van hetgeen men normaliter in de klassieke Chinese literatuur aantreft. Van tijd tot tijd komen de auteurs ook tot fascinerende beeldspraak. Wat dacht U van de volgende passage, waarin Guanyin spreekt:

`De slechte weg houdt in dat men buiten het eigen hart de Boeddha zoekt. De kruin schouwende en gefixeerd op de uiterlijke tekenen ziet men tussen de wenkbrauwen een licht. Zich bewust van de Leegte houdt men vast aan het bestaande in het eigen fenomenale lichaam. Maar wat is daar wel voor bijzonders aan? Ze praktiseren het niet-lekken, beëindigen het rood en wit, en vergaren het Yin van anderen om hun eigen Yang te versterken. [...] Zij zijn te vergelijken met apen die arm aan arm van een boom op een steile klif naar beneden hangen en proberen de maan in de rivier aan de voet daarvan te grijpen – het is allemaal verspilde energie en blijkt uiteindelijk vergeefse moeite.'

De verhalen zijn ook niet gespeend van humor, zoals in de beschrijving van Guanyins tocht door de hel. In eerste instantie slaagt zij erin alle daar aanwezige zondaren te bekeren en iedereen is blij, maar op een gegeven moment protesteren de helopzichters dat er op die manier te weinig te folteren valt en zij dwingen de hellekoning om de lastige heilige snel weer naar de aarde te sturen.

Hoe volks deze teksten van oorsprong ook mogen zijn, voor hedendaagse lezers zijn ze, deels wegens het boeddhistische vocabulaire en deels vanwege de uiteenlopende taalregisters die gehanteerd worden, uitzonderlijk ingewikkeld. Er is op de wereld maar een handvol mensen dat ze kan lezen en vertalen. De bijdrage die Idema met dit jongste boek levert is specialistischer dan in zijn grote bloemlezingen en het interessegehalte van de vier teksten is, zoals gezegd, wat onevenwichtig. De inleiding is informatief, maar er komen helaas nogal wat herhalingen in voor en het opstel als geheel wekt de indruk te haastig geschreven te zijn. Niettemin heb ik Prinses Miaoshan met plezier en bewondering gelezen. En ik raad het een ieder aan, die eens met deze minder bekende kant van de klassieke Chinese literatuur wil kennismaken.

W.L.Idema: Prinses Miaoshan en andere Chinese legenden van Guanyin, de bodhisattva van barmhartigheid.

Atlas, 282 blz. ƒ59,90