De Keltische tijger heeft de strijd gewonnen

Het vredesproces in Noord-Ierland dreigt te mislukken. Tony Blair en zijn Ierse collega proberen het tij deze week te keren. Veel protestanten zien vrede als een katholieke overwinning. Hoe een taai zelfbeeld verzoening in de weg staat.

Noord-Ierland is, in de woorden van dichter Seamus Heaney, `land van het sjibbolet, de handdruk, de knipoog, het knikje, met open geesten zo open als een val'. Het is ook het land, volgens de journalist Susan McKay, waar een miljoen protestanten hun angst voor de katholieke minderheid verbergen achter een façade van respect, fatsoen en een vals superioriteitsgevoel.

McKay, een protestantse Noord-Ierse die in de Ierse Republiek woont, is er in haar boeiende Northern Protestants in geslaagd de muur van zwijgzaamheid te doorbreken van haar geloofs- en landgenoten in `het noorden'. Dat is geen geringe prestatie. Protestantse Noord-Ieren staan argwanend tegenover journalisten. Hun geslotenheid is spreekwoordelijk; het resultaat van een diepe onzekerheid over hun positie in het land waar hun voorvaderen zich in de zestiende en zeventiende eeuw als `plantagehouders' vestigden, ten koste van een Iers-katholieke meerderheid.

Uitgangspunt voor McKay waren twee gruwelijke moorden in de zomer van 1997 in Noord-Ierland. Het 18-jarige katholieke meisje Bernadette Martin werd doodgeschoten door de protestant Trevor McKeown terwijl zij sliep bij haar protestantse minnaar. James Morgan (16) werd kort daarop met een klauwhamer om het leven gebracht door twee protestanten die, onder invloed van drank en drugs, `op jacht' waren naar een katholiek slachtoffer. McKay bracht daarna bijna drie jaar door in zeven protestantse regio's in Noord-Ierland. Haar trektocht viel samen met het referendum van de bevolking over het vredesproces, en met de veldslagen tussen de politie en protestantse fanatici bij Drumcree.

Ze verbleef in Drumcree, alsmede in het welvarende en respectabele North-Down, dat relatief weinig te lijden heeft gehad van de Troubles, in de steden Belfast en Derry, langs de grens met de Ierse Republiek en in Balleymoney, waar in 1998 drie kinderen uit een gemengd huwelijk om het leven kwamen nadat hun huis in brand was gestoken. Haar tactiek is even doeltreffend als slim: door wekenlang op dezelfde plek te verblijven en de geïnterviewden op de hoogte te brengen van haar geloof en achtergrond, weet ze hun vertrouwen te winnen.

Een geruststellend boek is Northern Protestants, inmiddels in Ierland driemaal herdrukt, niet geworden. De tientallen mannen en vrouwen die McKay heeft geïnterviewd zijn, op een enkele uitzondering na, in de ban van een verlammend pessimisme. Jeff Dudgeon, medewerker van de protestantse radicale politicus Bob McCartney van de splinterpartij United Kingdom Ulster Party, zet in het eerste hoofdstuk de toon. Volgens Dudgeon is het `protestantisme een gemeenschap in verval'. Eeuwenlang hebben zijn geloofsgenoten stand gehouden in Noord-Ierland, door een combinatie van alertheid jegens en krijgshaftig optreden tegen een numeriek superieure vijand.

Hij waande zich de laatste frontiersman van Europa, die vanuit zijn vesting uitkeek op een wildernis waar de barbaarse en paapse vijand zich verschool. Maar sinds kort heeft de vijand de overhand. Katholieken zijn de drijvende motor achter het vredesproces, dat in wezen anti-protestants zou zijn: de frontiersman was met wapens niet te verslaan, maar is er door de sluwe en ongrijpbare katholieken aan de onderhandelingstafel alsnog ingeluisd.

Beschaving

De gerespecteerde protestantse Noord-Ierse historicus A.T.Q. Stewart drukt zich in gelijkluidende woorden uit. Volgens Dudgeon, Stewart en vele andere geïnterviewden is een vergelijk met de katholieken onmogelijk en is de `beschaving' die de protestanten in Noord-Ierland hebben gevestigd op sterven na dood. De Keltische tijger heeft gewonnen, protestanten hebben, in de woorden van Dudgeon, zelfs `hun voorplantingszin verloren'.

Lia van Bekhoven, correspondent in Londen voor onder meer NOS-radio en NOVA, lijkt de protestanten gelijk te geven. In het voorwoord van Land van de gespeleten God schrijft zij dat ze zich concentreert op de katholieken: zij waren het `die het nieuws maakten'. `Zij hadden', zoals een protestantse kennis haar eens zei, `een zaak. Wij niet.' Daar valt oppervlakkig gezien weinig tegenin te brengen. Wie zal ontkennen dat katholieken een zaak hebben? Zij waren tweederangsburgers in een staat die tot diep in de jaren negentig van de vorige eeuw zijn identiteit ontleende aan de geïnstitutionaliseerde dominantie van protestanten. Katholieken werden getolereerd zo lang ze zich bij deze situatie neerlegden.

Van Bekhovens boek biedt een onderhoudende introductie in Noord-Ierse zaken, al is ze licht geneigd te dwepen met voormalige IRA-terroristen Martin McGuinness en Gerry Adams. En het is onjuist dat de protestanten `geen zaak' zouden hebben, of hebben gehad. Uit de interviews van McKay blijkt het tegendeel: protestantse Noord-Ieren zijn de gevangenen van hun eigen `zaak', die ze verabsoluteren en die als maatstaf dient waaraan iedereen in de eigen kudde dient te voldoen, op straffe van verstoting of erger.

Behoud van de protestantse identiteit, gekoppeld aan de overtuiging dat met `het andere kamp' geen vergelijk mogelijk is, bepaalt het protestantse handelen. James Molyneaux, zestien jaar leider van de grootste protestantse partij, de Ulster Unionist Party, vatte de politieke visie van zijn beweging kernachtig samen. Zijn belangrijkste doel, zei hij, was `het afslaan van aanvallen op het fort'. De protestantse `zaak' diende hij met een unieke combinatie van inertie, onverzettelijkheid en Oost-Indische doofheid jegens initiatieven die hem niet aanstonden, wat gold voor alle plannen om de achterstelling van katholieken aan te pakken.

Naast de belegerde frontiersman, fier met de rug tegen de muur, putten de protestanten in negatieve zin inspiratie uit de mythe van `de verrader in eigen gelederen'. Deze voert terug op het beleg van Derry in 1689. Kolonel Robert Lundy adviseerde de protestantse verdedigers van de stad destijds zich over te geven. Hij vluchtte zelf voor het te laat was, zijn geloofsgenoten in Derry liet hij aan zijn lot over.

David McKittrick en David McVea tonen in hun sprankelende Making Sense of the Troubles overtuigend aan dat de Lundy-mythe op cruciale momenten vredesinitiatieven en toenaderingspogingen heeft getorpedeerd. Een protestantse politicus die zich ontvankelijk toonde voor katholieke grieven werd door hardliners onmiddellijk uitgemaakt voor `een Lundy'. Niet alleen was samenwerking met de vijand daardoor zo goed als uitgesloten, de enkele protestant die toch naar een vergelijk met katholieken streefde werd als `een moderne Lundy' probleemloos aan de kant geschoven. De Lundy-mythe verklaart ook de aantrekkingskracht van dominee Ian Paisley, wiens loopbaan synchroon loopt met de Troubles.

Gegijzeld

Ook in een ander opzicht worden de protestanten gegijzeld door de geschiedenis. Veel geïnterviewden vertellen Susan McKay dat hun katholieke buren, kennissen of werknemers voor het begin van de Troubles `tevreden waren met hun bestaan'. Katholiek en protestant zouden destijds `in harmonie' met elkaar hebben geleefd. Van protesten wegens discriminatie vernamen ze niets. De grote boosdoener in hun opvatting is natuurlijk de IRA. Het Ierse Bevrijdingsleger zou in de jaren zestig de katholieke bevolking eerst hebben opgehitst en vervolgens hebben meegesleurd in terreur.

Dat beeld van de recente geschiedenis is onzin: zonder de sympathie van de katholieke bevolking in Noord-Ierland zou de IRA zich niet staande hebben gehouden. McKittrick en McVea wijzen er op dat de terreurgroepen – zowel katholieke als protestantse – in Noord-Ierland een ongewoon groot aantal leden telden: aan beide zijden ongeveer 15.000 aanhangers. IRA-leden werden niet onder dwang gerecruteerd; ze meldden zich spontaan aan uit sympathie voor de `zaak van een verenigd-Ierland'. Los daarvan gaat deze collectieve herinnering niet alleen voorbij aan de feitelijke achterstelling van katholieken, zij idealiseert ook de `contacten' en de `harmonie' die er geweest zouden zijn tussen protestanten en katholieken. Onschuldig is deze romantische voorstelling van zaken evenmin; zij leidt bij veel protestanten tot de conclusie dat uitschakeling van de IRA automatisch herstel van `de idylle' van weleer binnen handbereik zou brengen.

Making Sense of the Troubles is verreweg het beste overzicht dat totnogtoe over de Troubles is verschenen. McKittrick en McVea geven niet alleen een scherp inzicht in de politieke geschiedenis van Noord-Ierland sinds 1963, ze verlevendigen hun verhaal daarnaast met korte, bijtende portretten van de hoofdrolspelers. Northern Protestants is het verrassendste van de hier besproken boeken. McKay maakt met haar portret van de protestantse gemeenschap duidelijk waarom het, in de woorden van McKittrick en McVea, `nog vele jaren zal duren voor de onlusten tot het verleden behoren.' De combinatie van haat, achterdocht, onverzettelijkheid en onverzoenlijkheid die ze tegenkomt, is angstaanjagend. Ook al is het leeuwendeel retoriek, dan nog houd je je hart vast voor het vredesproces. Het is goed dat maar zo weinig protestanten de daad bij het woord voegen.

Lia van Bekhoven: Land van de Gespleten God.

Noord-Ierland en de troubles.

Mets en Schilt, 222 blz. ƒ34,90

Susan McKay: Northern Protestants, An Unsettled People. Blackstaff Press, 393 blz. ƒ57,95

David McKittrick en David McVea: Making Sense of the Troubles.

Blackstaff Press, 353 blz. ƒ83,40