Boekenweek? Kassa!

Iedereen die ook maar een beetje allochtoon is of zich anderszins tussen meer culturen bevindt, probeert een graantje mee te pikken van het Boekenweekthema: Schrijven tussen twee culturen. En geef de auteurs en hun uitgevers eens ongelijk. Maar helaas: lang niet altijd staat heimwee naar het land van herkomst, een exotische achtergrond of een donkere huidskleur garant voor literaire kwaliteit.

De van oorsprong uit Roemenië afkomstige Nausicaa Marbe (1963) weet dat als geen ander. Hoe vaak is ze niet te gast geweest op literaire bijeenkomsten met collega allochtone schrijvers, die onderling even grote kwaliteitsverschillen vertonen als autochtone Nederlandse auteurs. Haar ergernis over het gelijkschakelen van allochtone schrijvers komt tot uiting in het zowel wat omvang als inhoud betreft flinterdunne boekje Kader, Lulu, Moses en ik, een beschrijving van een literair avondje in Brabant, waar ze was uitgenodigd samen met Kader Abdolah, Moses Isegawa en Lulu Wang. Een bijeenkomst waarvan er dertien in een dozijn gaan en waar de pers allang geen aandacht meer aan besteedt. Geen enkel probleem, moet Marbe hebben gedacht, dan verzorg ik zelf wel een verslagje.

Wat de bedoeling is van dit werkstuk en wat Meulenhoff heeft bewogen een over 92 bladzijden uitgesmeerde reportage, compleet met treinreis heen en terug, uit te brengen is een raadsel, behalve als we naar de verschijningsdatum kijken: het begin van de Boekenweek. Kassa!

Nausicaa Marbe heeft slechts één boek op haar naam staan, de Roemeense familiekroniek Mândraga (1997). Dat weerhoudt haar er niet van zich als een heuse schrijversdiva te gedragen. Ongegeneerd lift ze mee op het succes van meer productieve en vooral meer succesvolle collega's, wier namen ze te pas en te onpas in het rond strooit. Ze voelt zich duidelijk ver verheven boven haar provinciale publiek, bestaande uit `gepensioneerde vrouwen verenigd in leesclubs heel ver weg van Amsterdam'. Meer dan dergelijke flauwe observaties heeft dit niemendalletje niet te bieden.

Heel wat sympathieker is Anthon en Annissa, het debuut van de in Nederland geboren Surinaamse Chandra Doest (1974), al heeft deze roman veel weg van een kinderboek. Zowel verhaal als taalgebruik is verregaand naïef: `Met ogen die straalden van geluk liep de jonge vrouw naar de keukendeur' en `Hij was kind van dit land. Een kind van Suriname'.

Anthon is een Creoolse Romeo en Anissa een Libanees-Surinaamse Julia. Het meisje raakt zwanger, wordt verbannen en komt in Nederland terecht waar ze erin slaagt een onafhankelijk bestaan op te bouwen. Vele jaren later zal haar kleinzoon naar het land van herkomst terugkeren om zijn grootvader Anthon, op wie hij sprekend lijkt, te ontmoeten. Hij vindt zijn `roots', voelt zich eindelijk `thuis'. Te mooi om waar te zijn.

Doests Nederlands is niet vlekkeloos (`samenhorigheidsgevoel', schrijft ze bijvoorbeeld), maar ze doorspekt haar tekst wel op een volkomen natuurlijke wijze met Surinaamse woorden die, mede dankzij een verklarende woordenlijst, goed te begrijpen zijn en het verhaal sjeu geven.

Mooi en poëtisch geschreven is de debuutroman Vliegers boven Lentestad van de in China geboren Yuhong Gong (1968). Deze antropologe woont pas sinds 1991 in Nederland, wat slechts af en toe aan haar taalgebruik te merken is (`Kinderen van wie de ouders connecties konden vinden in de Partij', `Hij viel als vers beleg tussen een opengesneden broodje').

Gong beschrijft de jeugd van de tweeling Duang en Xia, die geruime tijd een incestueuze relatie hebben gehad, en van de twee amoureuze vriendinnen Meia en Legertje. Alle vier groeien zij op in Lentestad ten tijde van Mao's Culturele Revolutie. Behalve Legertje zijn zij als jong-volwassenen gedwongen de stad van hun jeugd te ontvluchten. Wanneer zij elkaar terugzien blijken zij onderling nieuwe, al even duistere en met schuld en schaamte beladen relaties te onderhouden.

Gong vertelt haar verhaal vanuit wisselende perspectieven. Meestal is er een `ik' aan het woord en blijkt pas na verloop van tijd welk van de personages de vertellende instantie is. Hoewel dit voor enige verwarring zorgt, maken de perspectiefwisselingen het verhaal niet ontoegankelijk. De ontoegankelijkheid wordt veroorzaakt door een teveel aan veronderstelde kennis van China en de Chinese literatuur. Menige metafoor is voor doorsnee westerse lezers niet te begrijpen, ondanks talrijke verwijzingen naar Europese kunstenaars als Piranesi, Shakespeare en Chopin. Soms krijg ik ook de indruk dat Gong maar wat raaskalt: `Die zomer verdronk zich in de storm van onze onschuld. Visjes sprongen op uit het water en tekenden in de verte egaal zilverlicht, als de weerkaatsing van onze teruggekeerde ziel, de vluchtsporen van de zwaluwen uit onze kinderjaren. Ze waren van Legertje en mij.'

Er is in Vliegers boven Lentestad geen enkel personage te vinden met wie identificatie mogelijk is. En vermoedelijk is dat ook de opzet van Yuhong Gong. Voortdurend is ze uit op vervreemdende effecten in de vorm van raadselachtige oude Chinese mythes en bloemrijke, maar onbegrijpelijke beeldspraak. Dit kennelijke resultaat van schrijven tussen twee culturen past goed in het thema van de Boekenweek, maar of het los daarvan binnen de Nederlandse context veel zeggingskracht heeft, valt ernstig te betwijfelen.

Chandra Doest: Anthon en Anissa. Vassallucci, 190 blz. ƒ36,90

Yuhong Gong: Vliegers boven Lentestad.

Vassallucci, 226 blz. ƒ34,90

Nausicaa Marbe: Kader, Lulu, Moses en ik. Romance.

Meulenhoff, 93 blz. ƒ15,-