Warrig gesol met drugsgebruikers

De verslavingszorg bestaat uit een wirwar van instellingen. Bovendien is het overheidsbeleid tegenstrijdig.

MET EEN MOOIE TERM heet het differentiatie van het hulpaanbod. De wirwar van instellingen voor verslavingszorg die Nederland rijk is, moet aan iedere van drugs of alcohol afhankelijke persoon hulp kunnen bieden. Zo zijn er naast veertig professionele instellingen en zestien consultatiebureaus (met 130 regionale vestigingen) ook nog eens vijftien instellingen voor maatschappelijke drugshulpverlening, twintig verslavingsklinieken en een handvol privé-instellingen en hulpverleners.

Zij leveren óf laagdrempelige zorg, zoals de opvang van verslaafden of het verstrekken van methadon, óf bieden detoxificatie als onderdeel van een behandeling, in deeltijd of tijdens een programma van verscheidene maanden waarbij de drugsgebruiker in een instelling verblijft. Die methoden kunnen bijvoorbeeld medicijnverstrekking betekenen, of behandelingen onder narcose. Er zijn speciale projecten die zich richten op onder meer verslaafde daklozen, prostituees, bejaarden, of allochtonen.

Het beleid verschilt van instelling tot instelling. Grof geschetst is de verslavingszorg in Nederland gericht op afkicken, en, bij de meeste instellingen, op harm reduction. In het eerste geval wordt er gestreefd naar een drugsvrij bestaan, in het tweede geval wordt geprobeerd de leefomstandigheden van de drugsgebruiker niet te laten verslechteren en te voorkomen dat hij overlast veroorzaakt voor zijn omgeving. Methadonverstrekking, waarvan in 1999 ongeveer 13.500 heroïnegebruikers gebruikmaakten, valt hieronder, evenals het aanbieden van schone spuiten en een experiment met heroïneverstrekking op medisch voorschrift dat in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Groningen, Heerlen en Utrecht wordt gehouden.

Hoe weet een drugsgebruiker waar hij terecht kan voor hulp en welke instelling geschikt voor hem is? H.Wijchgel van het Trimbos Instituut suggereert de Drugsinformatielijn. De telefonisten zijn getraind op gesprekken met gebruikers en weten waar ze heen kunnen verwijzen.

Deze vorm van laagdrempelige zorg blijkt echter moeilijk te vinden in bijvoorbeeld het telefoonboek van Den Haag. De informatielijn komt noch in het roze, noch in het witte gedeelte voor, maar heeft alleen een vermelding in het gedeelte met betaalde informatielijnen, helemaal achterin het boek. De politie weet van de informatielijn, zegt het Trimbos Instituut. Huisartsen echter niet altijd, en deze verwijzen ook vaak naar de Riagg – maar dit zijn instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en niet voor verslavingszorg.

Niet alleen is de juiste instelling moeilijk te vinden, de daadwerkelijke verslavingszorg is in Nederland ook niet goed geregeld, vindt de belangenvereniging voor drugsgebruikers MDHG. ,,Vanaf het moment van aanmelding is iemand een product'', zegt J. Arnold van de MDHG. ,,Er wordt binnen instellingen ook gesproken over `contactenproductie'. Je denkt als gebruiker misschien dat je bij een dienstverlenende instelling aanklopt, maar de overheid en de zorgverzekeraars zijn de klant, niet diegene die binnenkomt. Er wordt geen zorg op maat gegeven.'' En dat is belangrijk. Arnold noemt het voorbeeld van een drugsgebruiker van wie bekend was dat hij zijn huis moest verlaten. ,,De hulpverlener sprak met hem over de oorzaken van zijn drugsgebruik, zijn familie, enzovoorts. Uiteindelijk werd de man dakloos. Door de stress ging hij opnieuw gebruiken.''

,,Er wordt gesold met mensen'', vindt Arnold. Dat ligt volgens hem niet zozeer aan welwillende hulpverleners, maar eerder aan het tegenstrijdige overheidsbeleid. Het ministerie van VWS, verantwoordelijk voor de hulpverlening, richt zich op harm reduction. Het ministerie van Justitie, verantwoordelijk voor het beperken van de overlast door drugsgebruikers, wil onder dwang laten afkicken.

De garantie dat een van die twee methoden werkt, is er niet. Binnen de hulpverlening is bekend dat na afkicken onder dwang – `strafkicken' volgens het MDHG – het risico van een terugval enorm is, zelfs nog na jaren. ,,Als iemand niet wil afkicken, lukt het ook niet'', meent Wijghel van het Trimbos Instituut. En ook bij harm reduction is de effectiviteit niet uit te rekenen. Cijfers over resultaten zijn dan ook moeilijk te achterhalen. Volgens gegevens van Informatievoorziening Verslavingszorg deden er in 1999 ruim 26.000 drugsgebruikers een beroep op een instelling. Hoeveel er daarvan recidivisten waren of mensen die nog ingeschreven stonden bij een instelling, is niet na te gaan.

In onder meer de Verenigde Staten en Groot-Brittannië wordt wel een behandelmethode als meest succesvol gezien: het zogenoemde Minnesota-model. Deze methode is in de afgelopen vijftig jaar ontwikkeld rondom het in 1939 bedachte twaalfstappenplan van de Anonieme Alcoholisten. Zij gaat er vanuit dat afhankelijkheid van drugs en alcohol een chronische, maar goed te behandelen aandoening is. Herstel van een volwaardig leven is het doel van de behandeling. Harm reduction wordt gezien als een aanpak van pappen en nathouden. Deelname aan zelfhulpgroepen maakt onderdeel uit van het Minnesota-model.

In Nederland wordt er slechts ad hoc gewerkt met methodes gericht op onthouding. In Eindhoven loopt er al enkele jaren een proef met het twaalfstappenplan, de Amsterdamse Jellinek-kliniek werkt met een aantal zelfhulpgroepen, en enkele AA-groepen laten ook drugsgebruikers toe. Met de hulp van lotgenoten is herstel van een volwaardig leven haalbaar.

Het ministerie van VWS kent het Minnesota-model niet, maar zegt zich ook niet bezig te houden met hoe instellingen hun subsidies besteden. ,,Het beleid is gericht op harm reduction, het beperken van de overlast voor omgeving en gezondheidsrisico's'', aldus het ministerie. De belangenvereniging voor drugsgebruikers zou echter graag zien dat ook in Nederland op kleine schaal met het Minnesota-model gewerkt zou worden. ,,We zijn niet voor of tegen een bepaalde methode, maar er is duidelijk een groeiende behoefte aan een op afkicken-gericht model'', zegt Arnold van de MDHG. Als het maar niet onder dwang is.