Universiteiten moeten vrouwen alle kans geven

De doorstroming van vrouwen in het wetenschappelijk onderwijs staat tegenwoordig hoog op de agenda. Onderbenutting van vrouwelijk potentieel wordt eindelijk als probl eem van de instellingen zelf beschouwd. Die moeten derhalve met een systematische en geïntegreerde aanpak de achterstand van vrouwen in het wetenschappelijk onderwijs te lijf gaan, meent Mineke Bosch.

Paniekvoetbal voor sommigen, een publiciteitsstunt of statistisch gesjoemel voor anderen: critici vielen over elkaar heen toen bekend werd dat een faculteit van de Vrije Universiteit in Amsterdam in één keer zeven vrouwelijke deeltijdhoogleraren had aangesteld. In de commentaren werd gerefereerd aan de recente introductie van het in Nederland unieke boetesysteem dat de Katholieke Universiteit Brabant heeft geïntroduceerd: iedere vertrekkende vrouwelijk hoogleraar kost de desbetreffende faculteit 75.000 gulden. Een nieuwe term is geboren: de `Dutch case' – Nederland als ontwikkelingsland voor wat betreft het notoir lage aantal vrouwelijke hoogleraren. De term werd onlangs geïntroduceerd in het bijzijn van de Eurocommisaris voor onderzoek, Busquin, tijdens een internationale conferentie waar een Europese studie over het onderwerp werd gepresenteerd.

De maatregelen die de VU heeft genomen maken deel uit van een niet meer te stuiten ontwikkeling: de toenemende aandacht van machtige spelers op het veld van de wetenschap voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen. De Nederlandse Organisatie van Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en Colleges van Bestuur: bij allemaal staat de kwestie tegenwoordig hoog op de agenda.

Maar belangrijker is dat die toegenomen aandacht samengaat met een veranderde visie op het probleem. Dat blijkt uit de formulering die de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid kiest als ondertitel van zijn advies Halfslachtige wetenschap: `Onderbenutting van vrouwelijk potentieel als existentieel probleem voor academia.' Het betekent dat het probleem niet wordt gedefinieerd als een probleem van vrouwen, maar als een probleem van de wetenschapsinstellingen zelf.

Daarmee verschuift ook de aandacht van specifiek op vrouwen toegesneden maatregelen (kinderopvang, ouderschapsverlof, loopbaanondersteuning, combinatie van zorg en arbeid etc.) naar zaken die de kern van het wetenschappelijk bedrijf raken: transparantie van selectie-, beoordelings- en benoemingsprocedures, het verdisconteren van aanstellingsomvang in de beoordeling van iemands productiviteit, de inhoud van onderwijs en onderzoek, en definities van wetenschappelijke kwaliteit.

Het schokkende onderzoek dat door het Zweedse duo Wennerås en Wold werd verricht naar de honoreringskansen van mannen en vrouwen bij de Zweedse Medische Onderzoeksraad kan worden beschouwd als belangrijkste katalysator in dit proces. De resultaten daarvan, die in 1997 in het tijdschrift Nature werden gepubliceerd, lieten zien dat een systematische vertekening zat in de wijze waarop de prestaties van vrouwen en die van mannen werden beoordeeld. Vrouwen bleken minstens twee keer zo goed te moeten zijn dan mannen om in de prijzen te vallen.

Daarop volgende debatten leidden ertoe dat wereldwijd de hand in eigen boezem werd gestoken en vergelijkbare onderzoeken werden geïnitieerd. In het gerenommeerde Amerikaanse bastion van waardevrije wetenschap, het MIT, werden opeens heel andere `ontdekkingen' gedaan dan gebruikelijk. Vrouwelijke wetenschappers brachten daar nauwkeurig de cumulatie van kleine nadelen in kaart die, opgeteld over de jaren, leidden tot een forse achterstand: de net iets te lang uitgestelde promotie, de net iets lagere honorering voor eenzelfde functie, de net iets kleinere kamer. De president van het MIT nam de uitkomsten van het rapport integraal over en kondigde meteen een pakket maatregelen aan.

Nederland bleef niet achter. In de eerste plaats kreeg door alle ophef de Wet Evenredige Vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies in het onderwijs (WEV) een veel groter draagvlak. De wet verplicht de universiteiten om streefcijfers te hanteren en te halen en een plan van aanpak op te stellen. Ter ondersteuning van die wet liet het ministerie van van OC&W in 1997 onderzoek verrichten naar de geringe doorstroommogelijkheden van vrouwen. Daaruit bleek dat bij gelijkblijvende mobiliteit er over vijftig jaar nog weinig veranderd zou zijn in de sekseverhoudingen.

Andere activiteiten volgden elkaar in snel tempo op. Zo werd een met het Zweedse onderzoek vergelijkbare studie gedaan naar beoordelingsprocedures van enkele persoonsgebonden programma's binnen NWO en KNAW. De AWT liet een achtergrondstudie verrichten. De Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) organiseerde enkele expert meetings waarin werd gebrainstormd en ervaringen werden uitgewisseld. Een voorlopig hoogtepunt van al deze activiteiten werd bereikt tijdens de conferentie `Vrouwen in de wetenschap' die in oktober 1999 op initiatief van een aantal wetenschappelijke organisaties werd gehouden.

Tijdens die bijeenkomst kondigde minister Hermans het Aspasia-programma aan, een stimuleringsprogramma dat beoogt de doorstroom van vrouwelijke universitair docenten naar de functie van universitair hoofddocent te vergroten. De eerste ronde daarvan heeft 70 `bevorderingen' opgeleverd, waarmee de groep vrouwelijke UHD's met 33 procent toenam. Net als bij de VU-regeling, waar met gemak zeven professorabele kandidaten konden worden gevonden, maakt het Aspasia-programma zichtbaar dat vrouwelijk talent schromelijk onderbenut is.

De beweging gaat dus de goede kant op, maar het dode punt is nog lang niet gepasseerd. Serieuze aandacht en druk van boven blijven onmisbaar om werkelijk vooruitgang te kunnen boeken. Nederland doet het slecht, maar niet heel veel slechter dan de omringende landen. Dat Nederland achterop is geraakt moet worden toegeschreven aan het feit dat bijvoorbeeld in Duitsland, eerder dan in Nederland, is gekozen voor een consequent geïntegreerde aanpak van de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap.

Een systematische en geïntegreerde aanpak is nodig omdat aparte maatregelen voor vrouwen – hoe goed ook – ofwel tijdelijk zijn, ofwel afgeschaft worden als gevolg van `algemeen beleid' of `structurele ontwikkelingen'. Om zo'n geïntegreerde aanpak van de grond te krijgen zal werk moeten worden gemaakt van een van de aanbevelingen uit het advies van de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid: de opzet van een expertisecentrum, gekoppeld aan een bestaande organisatie, bijvoorbeeld de KNAW. In zo'n centrum kunnen door experts wetsvoorstellen, beleidsplannen en onderzoeksprogramma's verrijkt worden met inzicht in processen van sekseongelijkheid. Er kunnen evaluaties worden verricht, positieve ervaringen worden uitgewisseld en adviezen gegeven worden over de integratie van kennis over sekse in beleid. De tijd is er rijp voor.

Dr. Mineke Bosch is universitair hoofddocent bij het Centrum voor Gender en Diversiteit aan de Universiteit Maastricht en voorzitter van het landelijk overleg EmancipatieKwaliteit in het Wetenschappelijk Onderwijs.