Tien onzinregels voor het schrijven

Britse kranten en cultuurbijlages van andere Europese bladen stonden zo'n half jaar geleden bol van (negatieve) commentaren op het `Manifesto' van The New Puritans, een groep jonge Engelse auteurs. Net als Dogma 95, het manifest van Lars von Trier dat pleitte voor een zuivere cinema, staan de Nieuwe Puriteinen ongekunsteldheid in de literatuur voor. In Nederland was er nauwelijks aandacht voor de puriteinen, al is het boek All hail the New Puritans van Nicholas Blincoe en Matt Thorne waarin hun manifest is opgenomen hier en daar wel besproken, onder andere in deze krant.

Wat schieten schrijvers op met de tien regels van het Puriteinse Manifest? Het Tijdschrift Schrijven legde die vraag voor aan Thomas Verbogt en zijn antwoord is: geen barst.

Regel 1 luidt bijvoorbeeld: ,,We zijn in de eerste plaats verhalenvertellers, dus richten we ons volledig op de vertelling''. Maar wat is een vertelling? Verbogt wijst erop dat dit begrip voor verlerlei uitleg vatbaar is. ,,Is Ulysses van Joyce een vertelling? In ieder geval een ander soort vertelling dan Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp.'' Maar, zo voegt hij er vergoelijkend aan toe, ,,het is natuurlijk boeiend en misschien ook wel stimulerend je bezig te houden met verschillende uitgangspunten en perspectieven als het om het vertellen van een verhaal gaat.''

In regel 2 staat: ,,We zijn prozaschrijvers en erkennen proza als de dominante uitingsvorm. Daarom schuwen we poëzie en elke vorm van dichterlijke vrijheid.'' Onzin vindt Verbogt, want schrijvers moeten zich met alle denkbare genres voeden. Een schrijver die dichterlijke vrijheid schuwt, sluit zichzelf op.

Regel 3 van het manifest is een open deur. ,,We zien weliswaar de waarde in van genre-fictie – zowel klassieke als moderne – maar we zullen altijd op zoek gaan naar nieuwe openingen en zullen proberen bestaande genres te doorbreken.'' Goed zo, fijn, reageert Verbogt, want welke kunstenaar is niet op zoek naar nieuwe openingen?

Regel 4 doet enigszins absurd aan. ,,We geloven in de eenvoud van de tekst en vermijden alle vertelconstructies, retoriek en terzijdes.'' Maar hoe kan je een verhaal schrijven zonder te construeren. Of, zoals Verbogt het zegt: ,,Een schrijver die een verhaal schrijft, kan er niet onder uit over een constructie te denken. Dat begint al met de vraag: hoe zal ik beginnen? De beslissing die die vraag oplevert, is een onderdeel van de constructie''.

De vijfde regel lijkt mij een parodie: ,,Omwille van de helderheid erkennen we het belang van een lineair tijdsverloop en schuwen we flash backs, flash forwards en verhalen die in twee tijden spelen.'' Als je het mij vraagt leidt zo'n regel linea recta tot de afschaffing van de roman. Thomas Verbogt haalt er zijn schouders over op, volgens hem kunnen flash backs juist de levendigheid en de spanning dienen. De laatste vijf regels van het manifest zullen in het volgende nummer van Schrijven door Verbogt van commentaar worden voorzien – op een moment dat de Britse Puriteinen waarschijnlijk alweer zijn ingehaald door een nieuwe literaire beweging.

Actualiteit is sowieso niet het sterke punt van Schrijven. Nu pas haakt het blad in op de discussie over de kwaliteit van zogenaamde `autobiografische romans', waar Bzzlletin begin vorig jaar al een heel nummer aan wijdde. Yke Schotanus keert zich in Schrijven tegen Renate Dorrestein die in haar eveneens begin vorig jaar verschenen boek Het geheim van de schrijver kritische kanttekeningen plaatst bij wat zij `autobiografisch geschrijf' noemt. Schotanus, een liefhebber van autobiografisch proza, verzuimt echter erbij te vertellen dat Dorrestein niets tegen het autobiografische genre als zodanig heeft ingebracht, maar tegen het hybride genre van de autobiografische roman. In navolging van E.M. Forster definieert zij het begrip roman namelijk als fictioneel (behorend tot het terrein van de verbeelding). Volgens Yke Schotanus laat Dorrestein zich hiermee kennen ,,als iemand die even petieterig aan de verbeelding hangt als Multatuli's romanfiguur Batavus Droogstoppel aan de waarheid.''

Misschien moeten zulke discussies niet in abstracto maar aan de hand van voorbeelden worden gevoerd. Lees daartoe, ook in Schrijven, het interview met Susan Glimmerveen die onlangs succesvol debuteerde met de intrigerende roman Kaf waarin ze heeft geput uit haar eigen leven zonder in `autobiografisch geschrijf' te vervallen. ,,Kaf is geen echte autobiografie'', vertelt ze, ,,maar de setting is autobiografisch en de hoofdpersoon ligt dicht bij de puber die ik was''. Haar belangrijkste zorg bij het schrijven was: ,,hoe reduceer ik bestaande personen tot romanpersonages''. Op zo'n manier ontstaat er fictie.

Tijdschrift Schrijven. Febr./maart 2001. Jrg. 5, nr. 1. Uitg. Stichting Schrijven. Prijs ƒ9.95.