Manager van het RIOD

Twintig jaar lang, eerst als onderdirecteur en later als directeur, heeft drs. A. H. Paape, die deze week op 75jarige leeftijd overleed, leiding gegeven aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam. Hij was vooral de manager van dit instituut. Waar anderen, zoals directeur Loe de Jong, met de wetenschappelijke eer van het RIOD gingen strijken, zo hield Paape het instituut als organisatie bijeen en wist hij het voortbestaan ervan te verzekeren.

Abraham Harry Paape was afkomstig uit een christelijk milieu op het Zeeuwse eiland Tholen. In 1943, midden in de oorlog, behaalde hij zijn HBS-diploma. Vervolgens ging hij na de bevrijding in Amsterdam politicologie studeren. In 1952 kwam hij als stagiair bij het RIOD, waar hij later vaste medewerker werd. Alles wat met `de oorlog' te maken had, ging zijn leven beheersen, zij het ook dat hij het triest vond dat in zijn gezin niet de minste belangstelling voor de jaren 1940-1945 bestond.

Hem fascineerde vooral hoe de oorlogsgeschiedenis in betrekkelijk eenvoudige vorm bij de mensen gebracht kon worden. In afwijking van veel medewerkers van het instituut heeft Paape maar enkele publicaties op zijn naam staan. Zijn bekendste geschrift is `De Geuzen', de geschiedenis van de verzetsgroep van Bernard IJzerdraat, dat in 1965 als `boekenweekgeschenk' werd uitgegeven en nadien nog tweemaal is herdrukt. Ook was hij de samensteller van een fotoboek voor het onderwijs, `De bezettingstijd in beeld' (1965), en eindredacteur van `Bericht van de Tweede Wereldoorlog', dat in de jaren zeventig in een groot aantal afleveringen verscheen. Bovendien werkte hij samen met David Barnouw en Gerrold van der Stroom aan de volledige uitgave van `De dagboeken van Anne Frank' (1986).

Al met al was Paape in zijn werk een gepassioneerd man, iemand die ook driftig kon optreden. Hij stond lang in de schaduw van Loe de Jong en diens publicatiedrift. Toen Paape in 1990 afscheid nam van Oorlogsdocumentatie, werd hij gekenschetst als een man die veel organisatiewerk naar zich toe trok, die veel lezingen hield, zich graag liet interviewen en die de onderzoeksplanning van het instituut goed op de rails heeft gezet. Maar dat instituut was voor hem ook veel meer dan zomaar een werkplek. Het was ook een instelling die onrechtvaardigheden kon corrigeren, gestolen goed kon terughalen, schadeclaims kon onderbouwen en materiaal moest verschaffen om nog levende oorlogsdelinquenten op te sporen. Paape vond het volstrekt onjuist om de geschiedenis van Nederland in oorlogstijd te minimaliseren alsof in Nederland het verzet het kleinst en de collaboratie met de vijand het grootst is geweest van alle bezette landen. Daarmee moest je bij hem niet aankomen. Wel meende hij dat het vaderlandse verzet weinig spectaculair was, maar hij weet dat in de eerste plaats aan Nederlands geografische situatie en bijzondere bevolkingsdichtheid.