Koppensnellen

Het nazoeken van de herkomst van een woord kan buitengewoon frustrerend zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor koppensnellen, dat door het geweld van de Dajaks op Kalimantan opeens in de belangstelling staat. Het probleem met koppensnellen is het tweede deel van het woord. Het Nederlands kent verschillende samenstellingen met -snellen, maar alleen in koppensnellen heeft dat de betekenis `jacht maken op en zich meester maken van'. ,,De ontwikkeling van deze betekenis is niet na te gaan, schreef het Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1931 met een zucht.

Maar A. Beets, redacteur van dit woordenboek en zoon van de beroemde Nicolaas Beets, liet het er niet bij zitten. Hij was ervan overtuigd dat wij koppensnellen uit het Duits hebben geleend. In die taal komt schnellen immers voor in de betekenis `met een snelle, korte beweging slaan; stoten; stompen', en dan is het nog maar een kleine stap naar Köpfe schnellen, meende hij. Voornaamste probleem: Köpfe schnellen komt in Duitse woordenboeken niet voor.

Het is indrukwekkend om te zien wat Beets vervolgens overhoop haalde om zijn theorie te toetsen. De Dajaks zijn van oudsher beruchte koppensnellers. Vanaf 1835 probeerden missionarissen uit Wuppertal hen van dit gebruik af te brengen. Köpfe schnellen kwam weliswaar niet in de Duitse woordenboeken voor, maar Beets vermoedde dat hij het vele malen zou vinden in verenigingsberichten van de Duitse zendelingen. En dus nam hij dertig jaargangen van die berichten `zeer nauwkeurig' door. Köpfeschneller bleek helemaal niet voor te komen, en Köpfe schnellen slechts één keer. De gangbare aanduidingen in het Duits waren kopfabschlagen en kopfabschneiden.

In de hoop toch een bewijs voor zijn theorie te vinden, nam Beets vervolgens reisverslagen door ,,over Borneo, Ambon, Nias, Celebes, Ceram, Halmaheira en andere eilanden''. Uiteindelijk vond hij koppensnellen in een Nederlands reisverslag uit 1827. Dit zette de Duitse missionarissen meteen buitenspel, want het woord dus al tien jaar gebruikt voordat zij met hun zendingswerk begonnen.

Die bron uit 1827 verwees naar een ouder boek en dus nam Beets ook nog allerlei literatuur uit de 17de en 18de eeuw door – wat moet die man een tijd hebben gehad! Hij vond daar wel koppen halen, hoofden afslaan en koppen gaan zoeken, maar nergens koppensnellen. In 1934 schreef hij ,,teleurgesteld een verslag van negen pagina's over zijn zoektocht, met als conclusie: volgens mij komt het toch echt uit het Duits, maar hoe heb ik niet kunnen achterhalen.

In 1941 deed H.Th. Fischer nog een poging dit raadsel te kraken, in het tijdschrift Cultureel Indië. Ook hij haalde planken vol boeken overhoop, en hij vond uiteindelijk een vroegere datering in een Nederlands reisverslag uit 1818. Zijn conclusie: koppensnellen zal omstreeks 1800 door `den gewonen compagniesman, den soldaat of matroos' zijn overgenomen uit de Duitse dieventaal, waar schnellen werd gebruikt voor `schieten'. Het zou dan oorspronkelijk hebben betekend `op koppen schieten', `op koppenjacht gaan'.

Echt overtuigend is dat niet – de Dajaks schieten niet maar gebruiken speren en zwaarden. Ook de theorie die koppensnellen in verband brengt met het Middennederlandse snel in de betekenis `boosaardig', rammelt. Het woord komt ook niet uit het Engels, want headhunter is jonger (dat is pas 1853 voor het eerst opgetekend). Kortom: de voornaamste vaststelling blijft dat het nazoeken van de herkomst van een woord soms buitengewoon frustrerend is.