INTERNATIONALE VERDRAGEN

In de discussie over het wel of niet verder legaliseren van drugsgebruik en -productie beroept de Nederlandse regering zich op het feit dat de bewegingsruimte van Nederland volledig is ingeperkt door internationale verdragen en Europese regelgeving. Leidend beginsel is dat alle deelnemende landen drugsgebruik en -productie moeten bestrijden. Wil Nederland het gedoogbeleid oprekken, dan moeten òf de verdragen worden opgezegd òf Nederland moet een succesvolle lobby voeren om de tekst van de verdragen en regelgeving aangepast te krijgen.

Binnen de Verenigde Naties is een aantal belangrijke verdragen gesloten waar ook Nederland zich aan moet houden:

Het Enkelvoudig Verdrag

inzake verdovende middelen,

1961 zoals gewijzigd bij

protocol in 1972

Het Verdrag inzake psycho-

trope stoffen van 1971

Het Verdrag tegen sluikhandel

in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 1988

Daarnaast is in 1988 door de Speciale Algemene Vergade-

ring van de VN een resolutie aangenomen, waarin de doel-

einden en modaliteiten van het internationale drugsbeleid nog eens op mondiaal niveau zijn vastgelegd.

Ook binnen de Europese Unie zijn afspraken gemaakt over de gezamenlijke bestrijding van teelt, productie en handel van verdovende middelen. Zo is in 1996 een zogeheten Gemeenschappelijk Optreden geformuleerd, waarin is vastgelegd dat de lidstaten hun wetgeving en praktijken op het gebied van drugsbeleid op elkaar moeten afstemmen.