Gevraagd: meer dierendestructoren

De destructie van alle besmette dieren gebeurt bij één bedrijf: Rendac BV. Een monopolie dat gepaard gaat met risico's. Als een mond- en klauwzeer-epidemie uitbreekt dan is er veel te weinig capaciteit om dieren te vernietigen.

Bij de varkenspest, in 1997 de laatste grote epidemische dierziekte in Nederland, kon Nederlands enige destructiebedrijf, Rendac, de verwerking van de zes miljoen dode varkens niet aan. De vestiging in het Friese Bergum draaide overuren waarbij de waterzuiveringsinstallatie het uiteindelijk begaf. Vervuild en stinkend afvalwater vloeide in het Prinses Margrietkanaal.

In februari 2000 veroordeelde de rechter Rendac tot een boete van 100.000 gulden wegens de lozingen, die waren doorgegaan na afspraken met het openbaar ministerie en het Waterschap Friesland. Rendac, dat de zuiveringsinstallatie inmiddels heeft vernieuwd, is in hoger beroep gegaan bij het Hof in Leeuwarden, maar wil daar niets over kwijt.

De affaire vestigt de aandacht op deze kwetsbare schakel in de bestrijding van een eventuele mond- en klauwzeer-epidemie in Nederland. Rendac, een commercieel bedrijf met vestigingen in Bergum, het Brabantse Son en het Belgische Denderleeuw, houdt zich als enige in Nederland bezig met de destructie van de niet voor consumptie geschikte delen van dieren. Ruwweg een kwart van alle geslachte koeien, varkens, kippen en schapen gaat naar Rendac. Ook alle dieren die in verband met BSE en mond- en klauwzeer worden vernietigd, gaan door de vermalingsmachines van Rendac. Om vervolgens te worden afgevoerd naar de ovens van afvalbedrijven. Het bedrijf is wettelijk verplicht tegen vastgestelde tarieven destructiemateriaal te verwerken.

De fabriek in Bergum draait sinds een maand overuren door de verhoogde toevoer van BSE-koeien en kadavers.

De afgelopen jaren vernietigt Rendac hier BSE-gevoelig materiaal (zoals ogen, ruggengraten en hersenen) en de 192.000 kadavers. ,,Van een commercieel diermeelproductiebedrijf is het een afvalbedrijf geworden'', zegt wethouder Domien Van Wees van de gemeente Tytsjerksteradeel.

Als er ook nog mond en klauwzeer uitbreekt, is de Nederlandse destructiecapaciteit onvoldoende, erkennen zowel het ministerie van Landbouw als de provincie Friesland en de gemeente Tytsjerksteradeel. Rendac houdt het er op dat ,,een enkel geruimd bedrijf nog wel verwerkt kan worden''. Maar van de 15.000 ton capaciteit per week die minister Brinkhorst (Landbouw) vorig jaar in een brief aan de Tweede Kamer als maximum noemde tijdens een uitbraak van mond- en klauwzeer – zo'n 250 veehouderijbedrijven – kan geen sprake meer zijn.

Wethouder Van Wees van Tytsjerksteradeel is sinds vorige week op kruistocht voor uitbreiding van de destructiecapaciteit. ,,Een klokkenluider noemt hij zich. ,,Er is feitelijk sprake van een gedoogsituatie. Rendac werkt sinds februari al meer dan de milieuvoorschriften toelaten.''

Vergunningsambtenaar Janny Zantinge van de provincie Friesland weerspreekt dat. ,,Rendac blijft binnen de voorschriften. Het bedrijf mag overuren maken bij verhoogde toevoer en productiestoringen.''

Dat laatste gebeurt regelmatig, aldus wethouder Van Wees: ,,Elke week valt wel één van de twee destructielijnen stil.'' Directeur algemenen zaken S. Beerendonk van Rendac ontkent: ,,Het is een soepel proces. De overuren komen door de verhoogde aanvoer.''

Van Wees zag zijn campagne onlangs beantwoord door ,,een sussende brief'' van het ministerie van Landbouw. Daarin zegt directeur G. Koopstra van Veterinaire, Voedings- en Milieu-aangelegenheden dat ,,naar verwachting de destructiecapaciteit bij Rendac wel toereikend'' zal zijn als het ministerie overgaat tot noodvaccinatie van de dieren in de getroffen gebieden bij een uitbraak van mond- en klauwzeer. Ook Rendac-directeur Beerendonk hoopt hierop: de gevaccineerde dieren wachten in de wei op ,,gedoseerde'' aanvoer naar de destructor.

Maar is ,,noodvaccinatie als uitstel van ruiming'' (Brinkhorst) voldoende om de capaciteitsproblemen te ondervangen? ,,Het zal wel moeten'', zegt Koopstra op het ministerie. ,,We hopen dat áls de ziekte uitbreekt, dat zal gebeuren in een gebied met weinig dieren.'' In een brief aan de Tweede Kamer in oktober noemde Brinkhorst uitbreiding van de reserve-destructiecapaciteit met het oog op een dierziekte ,,niet reeël'': dat is duur en wordt ,,misschien nooit gebruikt''.

Het ministerie van Volksgezondheid staat wel open voor andere bedrijven die zich aanbieden voor destructie, zegt de woordvoerder. Maar de verwachting is dat een procedure voor een vergunningsaanvraag op verzet stuit van omwonenden. Dat geldt ook voor een eventuele uitbreiding van de destructielijn bij Rendac in Bergum. Want hoewel Rendac heeft geïnvesteerd om de stank te reduceren, heet de fabriek in de volksmond ,,de stinkfabriek''.

De provincie Friesland en de gemeente Tytsjerksteradeel hebben ook andere zorgen. Bij het ministerie van Landbouw ligt een draaiboek klaar voor het optreden bij een mond- en klauwzeerepidemie, maar het houdt op bij de destructie. Want dat valt onder het ministerie van Volksgezondheid. Bij Volksgezondheid ligt al drie jaar een calamiteitenplan te wachten op vaststelling. Daarin moet worden geregeld wat er gebeurt als de destructielijnen stilvallen, waar koelcellen beschikbaar zijn voor eventuele noodopslag en welke bedrijf als reservedestructor kan optreden. Maar dát plan houdt geen rekening met BSE en met de belasting van de Rendac-fabriek. Schandalig, vindt de provincie. ,,Het is niet goed te praten dat het zo lang is blijven liggen bij'', zegt Janny Zantinge.