Geschiedenis

Om bij de geschiedenisexamens te toetsen of kandidaten historische kennis in de tijd kunnen plaatsen, wil de commissie-De Rooy gebruikmaken van casussen, historische gebeurtenissen waarover kandidaten, gebruikmakend van hun historisch besef, een standpunt moeten bepalen. Bijvoorbeeld over het al dan niet oprichten van een standbeeld over slavernij. Opmerkelijk is echter dat in het rapport geen enkel voorbeeld van een historisch feit, gebeurtenis of persoon genoemd wordt dat de kandidaten moeten kennen om aan het examen te kunnen deelnemen. Hoewel krantenkoppen aangeven dat straks meer feitenkennis getoetst zal worden, is de werkelijkheid anders: leesvaardigheid en het formuleren van argumenten voor een `eigen mening', zullen het hoofdcriterium van de beoordeling van de kandidaten vormen.

Dat kan natuurlijk niet. Een centraal examen moet aansluiten bij het gegeven onderwijs en eerlijk en objectief toetsen. Wat in de toekomst een probleem kan worden is: wat moeten de kandidaten kennen en kunnen om aan het examen deel te nemen? De commissie-De Rooy stelt voor om de inhoud van de casussen tevoren niet bekend te maken, maar de kandidaten vlak voor de examenafname gedurende één uur enkele bronnen te laten lezen. Door dit uitgangspunt zal de karikatuur ontstaan dat voor een geschiedenisexamen inhoudelijk niet meer gestudeerd hoeft te worden: de kandidaten kunnen volstaan met het aanwenden van hun leesvaardigheid. Het is zeer de vraag of op die manier het beoogde chronologisch inzicht en historisch besef getoetst wordt.

Het rapport van de commissie-De Rooy bevat een rare inconsequentie. Enerzijds bevat het veel behartigenswaardige opmerkingen om het chronologisch besef van de kandidaten te vergroten. Anderzijds schrikt men terug voor een gedegen centrale examinering ervan.