Een naakte vrouw met suikerklontjes

De tentoonstelling Mobile Wall System 1996– in Museum Boijmans is een grabbelton. Een schilderij van Cornelis van Dalem (1535-1575) hangt er naast een op een zakdoek geprojecteerd filmpje van Fiona Tan (1966). Pop Art uit de jaren zestig staat naast Gispen-stoelen en een maquette van de Van Nelle-fabriek. Jurken van Martin Margiela en Walter van Beirendonck hangen naast foto's van Inez van Lamsweerde en een spiegel van Ken Lum. Een inhoudelijke lijn is amper te bespeuren.

Boijmans verwierf ze sinds 1996, het jaar dat Chris Dercon er directeur werd. Dercon trof bij zijn entree `structurele tekorten' aan; het museum moest bovendien worden verbouwd en uitgebreid. Dercon kondigde een aankoopstop af, waardoor Boijmans vijf jaar langs nauwelijks geld te besteden had.

Meestal is zo'n aankoopstop funest maar het Boijmans doet er, nu de stop is opgeheven, opmerkelijk jolig over. Mobile Wall System 1996- (de titel is ontleend aan een foto van Christopher Williams) wordt spottend aangekondigd als een soort goochelshow. `Geen aankoopbudget, toch tientallen aanwinsten. Magic!' En inderdaad: ondanks de `magere jaren' beslaan de aanwinsten de hele bovenverdieping. Dat zegt iets over de inspanningen van de staf, maar ook over de generositeit van onder meer de Mondriaan Stichting, het Fonds van Rede en de Stichting Lucas van Leyden. Die stelden het museum bijvoorbeeld in staat om voor twee miljoen een curieus pronkstuk te verwerven: Het begin van de beschaving van Cornelis van Dalem. Het doek is een ruig, maar vertederend landschap waarin de schilder zijn midden 16de-eeuwse visie op de oermens toont. Een man hoedt zijn schapen, een groepje holbewoners staat voor een rotswoning, een Orpheus-figuur speelt op zijn fluit, twee geiten copuleren. Iedereen, behalve de geiten, glimlacht tevreden. Sancta simplicitas.

Opvallend zijn ook de giften die het museum ontving van twee particulieren. Geertjan Visser verkocht `voor een vriendenprijs' zes schilderijen van Picabia, die nu in een surrealistisch kabinet hangen. De Picabia's zijn goed, de rest van de zaal valt tegen. De `automatische tekeningen' van Kristians Tonny bijvoorbeeld hebben vooral historische waarde, (Tonny geldt als de `enige' Nederlandse surrealist). Van Salvador Dali verwierf Boijmans een rode damespump, gecombineerd met suikerklontjes en een tekening van een naakte vrouw. Zoals bij veel van Dali's `erotische' objecten, vermoedt je dat hij ook deze pump vooral maakte om de Freudianen van zijn tijd op stang te jagen.

Dan is de promised Gift van Hans Sonnenberg – van de Rotterdamse galerie Delta – interessanter. Sonnenberg bedacht het museum met werk van onder meer Manzoni, Hockney en Basquiat. Daar mag Boijmans zich over in zijn handen knijpen, want deze kunstenaars zijn zo populair dat het museum ze nooit zou kunnen kopen. Grappig aan veel Sonnenberg-werk is wel dat de tijd er zo sterk vat op heeft gekregen. Vooral de pop art van mindere goden als Allen Jones en Peter Blake is niet modern of prikkelend meer, het zijn vertederende tijdsdocumenten geworden. Dat dat mechanisme nog veel sneller kan gaan, blijkt uit Cremaster 4 van Matthew Barney. Barney was het wonderkind van 1996, maar zijn installatie is nu al pijnlijk in verval. Om Cremaster 4 hangt de sfeer van tupperware.

Van zulke associaties hebben Fiona Tan en Steve McQueen geen last, al is het maar omdat deze video-kunstenaars hun werk aan het verleden ophangen. Tan werkt met veel found footage, en heeft daarbij een goede hand van kiezen. In Smoke Screen toont ze twee kleine, naakte, dwangmatig rokende jongetjes, die samen een pijnlijke illustratie vormen van aloud cultureel imperialisme. Cradle is een klein minuscuul sepia-wit filmpje van een Indonesisch kindje dat heen en weer wiegt in een draagdoek. Heel teer wordt het op een witte zakdoek geprojecteerd. Het werk doet denken aan Marijke van Warmerdams Rijst, maar door zijn fragiliteit overtuigd Cradle.

Veel beter nog is Deadpan van de Engelse kunstenaar Steve McQueen. De film is een variant op de oude Buster-Keatontruc waarbij de gevel van een huis naar voren valt, recht op de acteur, die wordt gered door een open raam. In Deadpan doet McQueen hetzelfde met de gevel van een blokhut. Maar de jolijt is verdwenen. De kunstenaar staat stokstijf stil te wachten. Telkens valt de gevel over hem heen, in verschillende ritmes en vanuit verschillende camerastandpunten. En al weet je beter, iedere keer blijft de angst dat de gevel hem zal raken. Humor en benauwenis komen samen in Deadpan, en tegelijk krijgt een oud beeld een nieuwe lading. In de vaste, tijdloze, opstelling dan maar?

Tentoonstelling: Mobile Wall System 1996-. Museum Boijmans van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Ma t/m za 10-17u, zo 11-17u. T/m 6 mei.