Een land waar aids verboden is

De brug over de Niger, de eigenlijke grensovergang, oogt modern. Maar beneden, tussen de betonnen pijlers, is de tijd blijven haken. Mannen vissen vanuit een uitgeholde boomstam of gewoon staand in het water. Op het eerste kruispunt staat een verweerd leuzenbord, nog uit de tijd dat Benin marxistisch geleid werd. Stralend gelukkige koppen, de tekst daaronder bazuint: `Par le travail, libère toi!'

Van de receptionist zie ik alleen een grote, blote voet als hij zich in zijn dutje omdraait. De enige overnachtingsmogelijkheid in Malanville heeft geen naam en is 's avonds danstent en bordeel. Op de vloer in de gang, waar een tochtje nog enige afkoeling brengt, liggen de meisjes voor hun kamertjes en soezen als krokodillen. Eén komt er loom overeind, put water voor me om me op te frissen en schenkt zonder dat ik erom gevraagd heb bier voor me in. Mannen drinken bier, daar is niets aan te doen en je kunt het net zo goed maar meteen voor hen inschenken. Ik zeg dat ze gerust haar dutje mag hervatten, maar ze houdt liever mij gezelschap. Ze heet Yvette, komt uit Togo en is een van de `femmes libres' die voor hun vrijheidsbeleving toch maar liever een buurland opzochten. Ze heeft een stem als een belletje en we babbelen aangenaam. Ze was maar eens naar Malanville gekomen `pour s'amuser un peu'. Wat nu, was zo'n mooie vrouw als zij nog niet getrouwd? `Bien sûr', maar hij was veel `en voyage' (vertaal: bij een andere vrouw). Zo had van lieverlede de reislust ook haar te pakken gekregen. Zodra het haar hier verveelde, ging ze dan weer terug. Maar ik, was ik niet moe van de reis? Ik blaas. Haar hand streelt bezorgd mijn pols. ,,Tu veux reposer un peu?''

Ik zeg dat ik nog moet schrijven, bedank haar voor haar zorg en diep mijn pen en schriftje op. Ze blijft onderuitgezakt bij me zitten, schenkt steeds mijn halflege glas weer vol en kijkt verwonderd naar mijn gekrabbel. Na een kwartier rekt ze loom haar havanakleurige lijfje, trekt haar doek strak en slentert op haar slippers over de binnenplaats terug naar haar collegaatjes. Net voor ze in de donkere opening verdwijnt, krullen haar lippen en schiet er van tussen haar tanden een flitsende kwat, die naast de kop van een dromerige hagedis uiteenspet.

De trein van Parakou in het noorden naar Cotonou aan de kust doet er zo'n twaalf uur over en ik leer iedereen kennen. François bedient het buvette, heeft steeds net even geen wisselgeld en hoopt dat je het dan vergeet. Hij dient het eten op: een gefrituurd visje met wat kleefrijst op een palmblad, ingekocht op het laatste station bij een maman na lang afdingen, schelden en weer afdingen. André, de politieman, zit gelaten op het balkon tussen de eerste en tweede klas. Hij reist mee om bandieten in de boeien te sluiten en zwartrijders eruit te gooien. Die laatsten slagen er vaak genoeg in om, zodra hij zijn hoofd weer binnen trekt, de stang van de laatste wagon te grijpen om zich daar weer naar binnen te slingeren.

De stemming in ons rijtuig is vrolijk, iedereen weet dat het een lange reis wordt waar je het beste van moet maken. Zelfs een buiten het raam geleegd kinderpotje waarvan de inhoud een paar ramen later weer naar binnen vliegt, verhoogt de vreugde alleen maar en de oude man die door de flets getroffen wordt, veegt het nat met een zakdoek van zijn gezicht mèt de tranen van het lachen.

Op het station waar we een uur op een tegenligger moeten wachten, maak ik kennis met Désiré, de machinist. Hij draagt geen uniform, maar een vrolijk hemd en jeans. Als de tegenligger gepasseerd is en we eindelijk kunnen vertrekken, nodigt hij me uit een stuk op de loc mee te rijden. Met een korte slag aan een wieltje brengt hij het dieselbeest achter ons afwisselend tot een angstaanjagend brullen en weer tot bedaren, waarna de trein minutenlang op zijn eigen massa voortdendert.

De helft van de tijd hangt Désiré achterstevoren uit het raam en tuurt gespannen naar achteren om te zien of alle wagons wel in de rails blijven. Boven zijn hoofd hangt een lijstje met voor elk baanvak tot Cotonou de maximumsnelheid, waar hij zich met bewonderenswaardige precisie aan houdt. Ik vraag hem of er vaak vertragingen zijn. ,,Niet meer'', zegt hij. Dat was met zijn voorganger wel anders. Die had in elke plaats langs de lijn een vrouw en liet dan doodleuk de trein wachten om na een uurtje als bevredigd man de reis voort te zetten. Zijn wisselende contacten hadden hem ten slotte de laatste, enkele reis opgeleverd. Désiré heeft slechts twee vrouwen, één in Parakou en één in Cotonou, begin en eind van de lijn. Zijn werk bracht nou eenmaal mee dat hij de ene nacht in Parakou sliep en de volgende in Cotonou. ,,Comme ça, c'est juste.''

Bovendien waren vertragingen nu bij wet verboden. Hij schatert. ,,Comme le SIDA.'' Ik meen hem niet goed te verstaan, maar hij herhaalt met stelligheid dat aids in Benin verboden is. ,,Dat is nog eens een doortastende regering'', concludeert hij, ,,de problemen oplossen door ze gewoon te verbieden.'' We liggen blauw.

Terug in de wagon komt Dieudonné tegenover me zitten. Hij wil graag een gesprek met een man van de wereld zoals hijzelf en leunt gewichtig voorover. Ik schat hem op een jaar of veertien. Hij heeft kort haar en op zijn wangen zijn boven elkaar drie kruisjes ingesneden als op een amsterdammertje. Een broer heeft voor hem in Cotonou een baantje geregeld, in een salon de thé. Als je vooruit wil komen, moet je naar de grote stad, stelt hij. Dat begrepen de meesten niet. Hij zou daar zijn geld niet vergooien aan bier en dansen, maar sparen om voor zich zelf iets te beginnen. ,,Commerçant'', zegt hij. Hij proeft het woord en slikt. Vanaf nu zou zijn leven een rechte, opwaartse lijn kennen. Dan, als alles goed ging, zou hij een Amerikaanse vrouw trouwen en in Duitsland gaan wonen. ,,L'Afrique, c'est perdue'', concludeert hij. Ik hoefde maar om me heen te kijken, dat beetje van enige waarde was nog door de Fransen aangelegd: hotels, bankgebouwen en, niet te vergeten, het kaarsrechte spoor.

Het wordt warmer en naarmate we zuidelijker komen, stijgt de luchtvochtigheid. In de wagon heeft de uitbundigheid allang plaats gemaakt voor suffe berusting. Iedereen slaapt. De wagons hobbelen en dansen en alle ebbenhouten hoofden op hun sierlijke halzen dansen mee, de hele wagon een reiskoffer van de grote poppenspeler. Mijn gedachten dwalen naar mijn werkster, hoe ze, na de komst naar Nederland nooit meer in Suriname had kunnen aarden en na een leven met een verslaafde zoon en het lappen van tienduizenden ramen haar reumatische lichaam naar de slavenkust had gevlogen om daar, samen met haar zus, in de bijeengespaarde vakantie hun roots te zoeken, waar iedereen haar had aangesproken met `madame' omdat ze een bril droeg en ze ten slotte aan het strand onder een palm en uitziend over die onmetelijke oceaan vreselijk had moeten huilen, omdat de dingen alleen nog met tranen te begrijpen waren, waarna ze diezelfde avond was gaan dansen met haar zuster en een man die ze niet kende.

In Cotonou ontdek ik de volgende morgen twee locaties om het warme en vochtige klimaat te ontvluchten: achterop de taximoto's die ik voor al mijn verplaatsingen gebruik en in een air-conditioned patisserie. Om me heen zitten meest oudere Franse dames. Gerimpeld vel, uitgeteerd door de malaria. Ze onderbreken hun gekwebbel slechts om van hun crème te nippen en aan hun petits fours te knabbelen. Het wemelt van de bedienden, gekleed in kinderachtige piccolopakjes. Achter een van de vitrines met gebakjes ontdek ik Dieudonné, het petje onwennig scheef op zijn hoofd. Een collega – zijn broer? – wijst hem juist alle gebakjes en noemt hun namen. Dan wordt zijn leermeester weggeroepen en blijft hij alleen bij de vitrine achter. Het moet hem duizelen. Met halfopen mond staart hij naar de honderden kunstwerkjes. Voorzichtig en bijna devoot haalt hij met een tang een soort krakeling naar zich toe en bekijkt die van dichtbij. Dan perst hij zijn lippen samen als wil hij niet geloven dat hetzelfde volk van de rails die hem hierheen hebben geleid, in staat is zo'n gedrocht te bakken.