Een al te mooie Jevgeni Onjegin zonder vaart

Tsjaikovski's Jevgeni Onjegin, na vier jaar weer op het podium van het Amsterdamse Muziektheater, is `authentiek' Russisch en van een traditionele naturalistische pracht als weinig andere voorstellingen van de Nederlandse Opera. De toneelbeelden van Peter Pabst bij de productie van Johannes Schaaf variëren van complete berkenbossen die zich tijdens de sneeuwval verliezen in grijs-witte wazigheid, tot de kleurige Imelda Marcos-schoenenzee aan de voeten van de tot welstand opgestegen Tatjana, wanneer ze contre coeur voor eeuwig afstand neemt van Onjegin, ooit haar hartstochtelijke liefde.

Het leed, het eeuwige Russische leed, is hier salonfähig en het Poesjkinverhaal is gevat in perfectionistisch gestileerde Tsjechov-esthetiek, doortrokken van poëzie, nostalgie en weemoedigheid. Op zijn best verheft de vakman Schaaf de vrijwel afgeschafte principes van de conventionele opera-enscenering tot een staat van glorievolle genade, gevat in voyante tableaux vivants. De actie is superieur gedetailleerd in een een sinds Visconti zelden gezien soort voorstelling.

Het resultaat is soms kil en ironisch, zoals tijdens het bal van de oude ijstaarten, die onder de warme kaarsenkroon amechtig ineenzijgen. Daartussen schrijdt Tatjana, opnieuw in de prachtig gezongen vertolking van Elena Prokina, opgebouwd van schuchterheid, via de wankelmoedige briefscène tot schijnbare zekerheid van de grande dame. Klinisch en cynisch is het duel tussen Lenski en Onjegin: `Het doodschieten van een mens hoort niet zomaar te gebeuren, maar volgens de regelen der kunst.' Beide rollen zijn nieuw bezet. De labiele Lenski van Pjotr Beczala is overtuigender dan de wel erg gereserveerde Onjegin van de gerenommeerde Albert Shagidullin, geen zanger die de zeer variërende expressieve mogelijkheden van de titelrol volledig benut.

Onderhoudend en geestig is het optreden van de oude Waldemar Kmentt (al vijftig jaar lid van de Wiener Staatsoper) als de overjarige zanger Monsieur Triquet, die keer op keer in de fout gaat. Peter Rose (Gremin) is met zijn wat lichte stem geen verbetering ten opzichte van Anatoli Kotsjerga, vier jaar geleden. Hartmut Haenchen en het Nederlands Philharmonisch Orkest leveren, net als destijds, een voortreffelijk muzikaal aandeel in deze voorstelling, essentieel om de keurige plaatjes sfeer en dramatisch belang te geven.

Op zijn slechtst herinnert Schaafs ensceneringsstijl aan de loze conventies van weleer, de clichématige kooropkomsten en -opstellingen, de hang naar fris folklorisme. Bovendien halen de irritant langdurige decorwisselingen achter gesloten doek, alle vaart uit de voorstelling. Het onafwendbare noodlot blijft maar talmen. Het lijkt wel een ouderwets avondje uit, al kan het publiek bij gebrek aan loges, elkaar niet meer beloeren, zoals in Tsjaikovski's tijd.

Op dat soort momenten dacht ik terug aan de zoveel scherpere Jevgeni Onjegin die de Nationale Reisopera in september bracht in de regie van Peter Konwitschny: een harde en meedogenloos desolate voorstelling over de onstuitbare Russische drang tot zelfdestructie met de dimensies van een antiek-Grieks drama, met veel breder uitgemeten larmoyantie en pathetiek, bijna over de top. Jevgeni Onjegin is immers de operaversie van Tsjaikovski's desastreuze Zesde symfonie `Pathétique'.

Voorstelling: Jevgeni Onjegin van P.I. Tsjaikovski door de Ned. Opera en het Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Regie: Johannes Schaaf. Gezien: 7/3 Muziektheater Amsterdam. Herh.: t/m 31/3. (voor een aantal voorstellingen nog beperkt kaarten)