De verzonnen stad

Ooit lag Boedapest op de snijlijn tussen Oost en West. Maar het Westen rukt op. De stad uit de keizertijd en de literatuur bestaat nauwelijks meer.

Steeds meer verdwijnen de grenzen in Europa, maar niet die tussen Oostenrijk en Hongarije. Twintig jaar geleden bezocht ik Hongarije voor het eerst. Het `oude' Hongarije in de greep van Rusland, ondanks de opstand van oktober 1956. Ik had een boek gelezen van Judicus Verstegen, De vloek van het schema (1970), en wilde het land met eigen ogen aanschouwen. Verstegen was vooral geobsedeerd door de socialistische bureaucratie, de `vloek' uit de titel, die hem inspireerde tot snijdende uiteenzettingen over ingewikkelde grensmanoeuvres, ondoorgrondelijke koersbepalingen en gesloten hotels.

Dit on the road-boek met een Volvo Kattenrug speelde zich af in de leegte van Oost-Europa. Ook dat trok me aan: verlaten wegen, stille dorpen, paard-en-wagen over de bemodderde straten voorbijgesjeesd door een enkele gammele Trabant. De wereld achter het IJzeren Gordijn. Terwijl ik, eertijds, lang aan de grens wachtte, begreep ik dat Verstegen met zijn sombere reisboek gelijk had. Het was alsof in de achteruitkijkspiegel van mijn auto, een groene Renault 4, het Westen met zijn lampen nog nagloeide. Voor mij strekte zich een donker, in zichzelf gekeerd land uit. Het ging schuil achter wachttorens. Ik kreeg een stempel in mijn paspoort, 18 juni 1980.

Verstegen wilde destijds het Oost-Europa aan het eind van de jaren zestig begrijpen. Het bleek echter onmogelijk door te dringen achter de gesloten gevels van de huizen. De sfeer van het land was loodgrijs. Vuile fabrieken, rommelige landerijen, lage huizen. Kromgebogen mannen op een fiets. Vrouwen met bundels sprokkelhout. Alleen in de hoofdstad Boedapest en aan de oevers van het Balatonmeer heerste iets van de grandeur die dit land in de negentiende eeuw bezat toen keizer Frans Jozef van Oostenrijk tevens koning van Hongarije was. Het westelijk deel van Hongarije, Transdanubië, is het land van de barok met als cultuurhistorisch hoogtepunt het slot Esterházy bij Fertöd. In de zeventiende eeuw verrees hier in ontoegankelijke moerassen en weidse jachtgebieden een sprookjespaleis, volmaakt symmetrisch gebouwd. De baroktuin, ooit evenwaardig aan die van het Franse Versailles, is nu verwilderd. Joseph Haydn was als componist en concertmeester aan dit hof verbonden. In de concertzaal, waar zijn kamermuziek en symfonieën wereldpremières beleefden, bezitten de vensters de vorm van een viool.

Dertig jaar na De vloek van het schema en tien na de Val van de Muur werd ik opnieuw nieuwsgierig naar Hongarije. Intussen had de Hongaarse schrijver György Konrád zijn beroemd geworden roman Tuinfeest (1985) gepubliceerd. Een zonniger, lichtvoetiger boek is nauwelijks voorstelbaar. Hiermee vergeleken is Verstegens reisverhaal asgrauw en bitter. Tussen beide boeken ligt vijftien jaar en tussen Tuinfeest en mijn winterreis naar Boedapest nog eens vijftien.

Op een boot, gemeerd in de Donau, werd een nieuwjaarsbal gegeven. Met vuurwerk boven het water en levende muziek aan dek. Tuinfeest speelt zich af in Boedapest. Tegen het decor van de Hongaarse en Hongaars-joodse geschiedenis trekt een stoet van levende, maar ook dode verwanten, vrienden en naamloze passanten van de ik-figuur voorbij. Het dilemma in Tuinfeest gaat over deze in politiek opzicht afstandelijke ik-figuur en zijn actief bij de politiek betrokken hartsvriend.

Toch zijn deze personages niet de hoofdpersoon van de roman, dat is de stad Boedapest zelf. Net als in de tijd van de Muur kreeg ik aan de grens onverwachts oponthoud en moeilijkheden. De douaniers gingen op zoek naar contrabande. Vergeefs. Doel van mijn reis? Waarnemen, schrijven. Wat droeg ik bij me aan valuta? Westmarken, dollars, guldens. Bijna geen forinten. Uiteindelijk mocht ik doorrijden. Een vierbaans autoweg verbindt West-Europa via Wenen met Boedapest. Meer dan ooit trof me de gelijkenis van het voorbijglijdende land met het landschap zoals dat zich in Amerika langs de autowegen ontvouwt. Reusachtige bill-boards prijken in de lucht, pompstations met winkels, motels, reclame voor dure automerken en spijkerbroeken. Ik was weliswaar niet zonder moeite een grens gepasseerd, toch was het Westen verder naar het Oosten doorgedrongen dan in de tijd van De vloek van het schema en mijn eerste reis. Wel herkende ik, tussen de akkers en weilanden, de talloze kruis- en Mariabeelden, vaak geplaatst onder een boom. Ook telde ik vele graftekens in de berm, zowel langs de snelweg als op de wegen in het binnenland. Een foto vastgespijkerd aan een boom, bloemen, brandende kaarsen in een rode houder herinneren aan een dodelijk ongeval. Vaak waren de bloemen vers.

,,Door onze hersenen lopen de snijlijnen van het Oosten en het Westen', schrijft Konrád in Tuinfeest, ,,wáár we ons ook bevinden, dragen we die spanning in ons mee. We behoren zowel tot de ene als tot de andere wereld. Boedapest is ook een hoekpunt, een stad inspirerend tot het denken in verschillende tekentalen. Hier leerde ik de taal van de macht en het geld, van de zintuiglijkheid en de mystiek, van de logica en de zinsbegoocheling, van het thuis-blijven en van het reizen.'

Boedapest heeft de zuigkracht van elke grote stad omsloten door land met verspreide boerenhoeven en kleine marktdorpjes. Konrád evoceert de stad als een transparant en overzichtelijk samenstel van pleinen, bruggen, een kathedraal en een burcht, parlementsgebouwen, de opera, een stadspark en brede lanen. Hij resideert regelmatig in een grand-café dat hij De Kroon noemt. Eigenlijk een ideale stad, niet bestaand, eerder verzonnen. De werkelijkheid is anders en dan blijkt weer eens hoe verraderlijk het is te verwachten zo'n herkenbaar beschreven stad terug te vinden. De twee steden, Boeda en Pest, worden gescheiden door het bijna stilstaande water van de Donau en zijn met elkaar verbonden door een zenuwstelsel van bruggen. De mooiste is ook meteen de oudste, de Kettingbrug. Slechts twee pijlers staan in het water, beide dragen een hoge toegangspoort. De bovenstad heet Boeda, de benedenstad Pest.

Ik herinner me dat ik twintig jaar geleden op een plek die nu niet meer bestaat, waar een smalle donkere straat uitkwam bij de Kettingbrug, marken tegen forinten wisselde. Tijdens de handeling deed de geldwisselaar telkens alsof we betrapt werden. Hij keerde me de rug toe, frommelde met het geld. Toen ik na de transactie het Hongaarse geld natelde, bleek dat ik niet meer dan een handjevol biljetten had ontvangen, bovendien van het laagste bedrag. Het verleidelijke gesis van straathandelaren hoorde ik nu niet meer.

Konrád kan dan schrijven over `snijlijnen van het Oosten en van het Westen', ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het Westen oppermachtig is in de Hongaarse hoofdstad. Het Koninklijk Paleis op de heuvel van Boeda herbergt de kunstschatten, langs het rivierfront van Pest liggen de parlementsgebouwen. Een draagvleugelboot schiet voorbij. Boedapest is een majestueuze stad, niet intiem als Praag, evenmin chic als Wenen. De stad is ondoorzichtig, bouwputten alom, ik vind er mijn herinneringen niet terug van duistere straten en etablissementen met bierdrinkende mannen. De stad is groot, ligt niet alleen uitgestrekt langs de oevers van de Donau, maar ook langs brede verkeersaders. De stad overweldigt me.

Geen groot en duur hotel wil ik, maar een zogeheten mini-hotel. De man van het bemiddelingsbureau aan het steegje Asbóth utca, ingeklemd tussen hoog oprijzende bouwwerken, heeft nog een enkele kamer met keukentje over. Hij spreekt Duits. We steken de straat over. Het trappenhuis glanst van het roodkoper. In het krap bemeten appartement ligt rood vloerkleed, de bedden zijn doorgezakt, de vitrage is groezelig. Ik kijk uit op een luchtschacht. Maar het is in orde. Ik heb een plek om te overnachten. Het heet Asboth Panzio. Ik leg Tuinfeest op het nachtkastje. Ga de stad in. Glanzend nieuwe, Westerse auto's razen over de verkeerswegen langs de Donau-oever. Het straatbeeld van de winkelboulevards is West-Europees, de kleding is West-Europees, het aanbod is dat ook. Gloednieuwe hotels zijn er volop, maar gebouwen uit andere eeuwen, zoals de Dom en het Gresham paleis in Jugendstil aan de voet van de Kettingbrug, zijn vervallen. Konráds ideale stad is een onvindbare stad uit een andere tijd, meer dan een halve eeuw terug in de geschiedenis. Het is een ontwerp van de geest, een verzinsel bijna, niet vrij van nostalgie. Met het verleden springt de stad onzorgvuldig om. Boedapest gaat razendsnel voorwaarts, wil een Westelijke metropool worden. Alleen hoog op de heuvel van Boeda, in de smalle straatjes rond het paleis, heerst nog de sfeer van de voormalige `königliche und kaiserliche' hoofdstad.