Bouwput 2001

Porto is, samen met Rotterdam, uitgeroepen tot culturele hoofdstad van Europa 2001. De tweede stad van Portugal is het decor geweest van belegeringen, invasies en catastrofes. Een rijke historie kan de stad niet worden ontzegd, maar is het gerechtvaardigd dat Porto zich tooit met het predikaat `culturele hoofdstad'? Een verkenning.

Wat maakt Porto tot culturele hoofdstad van Europa 2001? Op het consulaat-generaal van Portugal in Rotterdam weet niemand het antwoord. ,,Wat een moeilijke vraag stelt u! Misschien iets met portwijnen?' Ik moet de afdeling Handel en Toerisme van Portugal in Den Haag maar eens bellen. Daar neemt echter halsstarrig alleen het antwoordapparaat op.

Misschien weet de persvoorlichter van de andere culturele hoofdstad van Europa, Rotterdam, meer. De gemeentevoorlichter weet wel wat het motto van Porto 2001 is: `brug naar de toekomst'. ,,Maar voor meer informatie moet u naar Porto zelf bellen.' Wanneer het getoetste nummer een voicemail blijkt en doorverbinden onmogelijk, rest maar één optie: zelf gaan kijken.

Een echte stad heeft water nodig. Water mag een meer zijn; we denken aan Genève. Of zee, zoals Tallin, maar het mooist is een rivier. Want nog meer dan door water wordt een stad getekend door bruggen. Wie Parijs, Londen of Rotterdam zegt, zegt bruggen. Sorry voor Amsterdam, maar een stad van naam heeft een brug van naam en dat heeft de tweede stad van Portugal. Meer dan één zelfs, maar kan een brug haar stad tot culturele hoofdstad maken?

`Brug naar de toekomst' moeten we natuurlijk niet letterlijk nemen. Rotterdam heeft zich voor de gelegenheid het motto aangemeten dat het `vele steden' is. In onnavolgbaar Ambtenarees heet het dat bij het gestalte geven van dit evenement is gezocht naar een `cohesie die verschillen tussen de vele gemeenschappen in de stad respecteert (en er) op aanstekelijke wijze aan recht doet'. Zouden wij deze uitspraak serieus nemen, dan was het lastig te begrijpen wat de geplande tentoonstelling over het werk van de 15de-eeuwse schilder Jheronimus Bosch heeft te maken met Rotterdam of Europa 2001. Het blabla der bobo's dient slechts het ritueel. Niets mis mee, maar moeten we naar Porto?

Ja, wegens die brug.

De pre-Romeinse nederzetting heette Cale, later door de Roemeinen gedoopt tot Portus (haven) Cale en naar deze stad is uiteindelijk het hele land vernoemd. De stad, met 345.000 inwoners, tuimelt in een doolhof van nauwe straatjes van de heuvels af, naar de Douro en klimt bij de Vila Nova de Gaia weer steil omhoog. Hier vonden begin negentiende eeuw naar verluidt zesduizend mensen de verdrinkingsdood toen ze massaal via de pontonbrug probeerden te ontkomen, op de vlucht voor Napoleons leger. Nu overspannen schoonheden van ranke, hoge bruggen de rivier.

Kijkend vanaf de kade naar de speelgoedgrote auto's die over de Dom Luis-brug rijden, houden we onwillekeurig onze adem in, zo ijl lijkt de staalconstructie die ruim zestig meter boven het water hangt. Voorwaar een liggende Eiffeltoren, en inderdaad, Gustav Eiffel reeg in 1877 voor Porto 640 ton staal in krachtig filigraan aaneen voor de Dona Maria-brug en een discipel van hem maakte elf jaar later, van 3.000 ton staal, deze minstens zo indrukwekkende Dom Luis-brug.

De Britse toerist naast ons op het terras aan de Ribeira memoreert dat de brug nooit kan zijn gemaakt met het doel zoveel autoverkeer als nu te dragen. Wanneer we daags daarna over de brug lopen – niet wetend dat een paar weken later, twintig kilometer oostwaarts, een 116-jaar oude brug zal instorten – begrijpen we wat de Britse toerist heeft bedoeld. De Dom Luis-brug trilt onder elk voertuig zo heftig, dat foto's maken onmogelijk is. Die ervaring vat meteen het verkeersbeeld voor de hele stad samen: het kan nooit de bedoeling zijn geweest om zoveel auto's door deze straten te laten rijden. De stad is één en al congestie, nog eens verergerd door de uitgebreide renovatie van het wegdek. In Nederland mogen we graag mopperen dat Den Haag en Amsterdam op de schop zijn genomen, maar wat we hier aan de Douro meemaken slaat alles.

Wanneer wij het echter goed begrijpen is die onbegaanbaarheid juist een invulling van het culturele hoofdstad zijn. In het kader van Porto 2001 worden allerlei gebouwen, zoals een muziekpaleis, casa di musica, gebouwd. De zucht tot bruggen bouwen naar de toekomst heeft geleid tot een woestijn van opengebroken straten en uitgegraven pleinen. Het is aan te bevelen een eigen kameel mee te nemen, wil men snel vooruitkomen. Maar misschien is dat wel wat men juist níet moet willen in deze stad, snel vooruitkomen. De stad dwingt zo tot reflexie. Reflexie hoort ook bij deze stad. Men kan moeilijk zeggen dat het rooms-katholicisme hier onopgemerkt voorbij is gegaan. Zelden vindt men in een stad een zo grote concentratie van kerken, kapellen, kloosters en andere gewijde plaatsen.

Bezoek bijvoorbeeld de kerk van São Francisco, ook bekend als `de kerk van goud'. Bijna geen plek in deze kerk is gevrijwaard van ornamenten. Er is zo'n overdaad aan met bladgoud of goudverf bedekte ornamenten op muren, pilaren en plafond, dat de houten beeldengroepen, verzonken in nissen in de muur, soms moeilijk zijn te ontdekken. Bijna had ik de vijf monniken gemist die tussen twee moren in staan. Eén monnik is al onthoofd, van de tweede wordt net met een kromzwaard het hoofd van de romp gescheiden. Net bedenkt de entzauberte bezoeker oneerbiedig dat dit geen plek is voor innerlijke rust, maar een uit de hand gelopen driedimensionaal stripverhaal, of een dame slaat een kruisteken voor de monniken en verzinkt in gebed.

Of neem de kerk waar vlak naast elkaar drie Christus-figuren liggen. Op alle lichamen zijn minutieus bloeduitstortingen, steekwonden en stromen bloed geschilderd. De knieën zijn verbrijzeld, de doornenkroon is niet vergeten en de verlengde doodsstrijd is diep in het gelaat getrokken. `Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?' lijken al deze beelden en schilderingen uit te roepen.

Porto staat voor religiositeit. Wie slecht zit in zijn heiligenbeelden, iconen, rozenkransen en crucifixen moet hier gaan shoppen. De godsdienstig geïnspireerde kunst loopt van de winkels voor `religieuze kunst' over in de vaak kleine sieradenwinkels waarvan de stad lijkt vergeven. Ook daar kruisen en Christussen, maar dan van edele metalen. Verder veel ragfijn geborduurd goud- en zilverdraad in godsdienstige en naturalistische motieven: bladeren, bloemen, vogels of middeleeuwse zeilscheepjes. Je moet er van houden, maar dan is het erg mooi.

Voor het echte, hebberige shoppen, moeten we niet in Porto zijn. Onooglijke winkels met etalages vol hangsloten, lederwaren en huishoudelijke artikelen. Negoties waarvan je denkt, die verkopen met enige mazzel twee ons kopspijkers en drie schroevendraaiers op een dag. Kledingwinkels met artikelen waarvan je je afvraagt wanneer ze ooit in de mode zijn geweest. Kortom, een stad die de zegeningen van de winkelketens nog niet kent.

Biedt de stad ook een eigentijdse, culturele schat? De dame bij de VVV doet wat lacherig bij de vraag wat er nu zoal aan hoogtepunten is. Het seizoen is nog niet begonnen, en de meeste bezoekers van buiten zijn Portugezen. Ze raadt het museum voor de hedendaagse kunst (museu de Arte Contemporãnea de Serralves) aan. Daar worden we begroet door werk van de Nederlandse kunstenaars Jipke Visser (1876-1955) – een groene kikker van keramiek – en Frans Zwollo (1872-1945) – een bewerkte, zilveren beker. De dragende exposities zijn van Julia Ventura en de Amerikaanse kunstenaar Dan Graham, van wie buiten ook enige spiegelsculpturen staan.

De andere aangeraden expositie – `Movimentos e Episódios in Porto' bij het Palácio de Cristal – zou in elk geval Portugeser zijn dan de Arte Contemporãnea, dachten we. En dat zal ook wel zo zijn geweest, maar ook op deze tentoonstelling deed zich ernstig gevoelen wat al een hele tijd zeurde: het taalprobleem. We hebben geen problemen met een video over een vechtsportheld die het ene lijk na het andere produceert (Grupo videOporto 1981) of met een glazen fallus in een kastje. Maar wat de plaats is van fallus en vechtheld in de culturele ontwikkeling van deze stad blijft onduidelijk bij ontstentenis van begrijpelijke Engelse, Duitse of desnoods Franse teksten. Wat op deze tentoonstelling wel duidelijk werd, was dat Porto vroeger adembenemend mooi moet zijn geweest.

Wie onwelwillend rondkijkt in Porto ziet gruwelijke parkeertorens en opengebroken straten. Monsterlijke bankgebouwen op kleine pleinen, huizen getekend door achterstallig onderhoud en overal auto`s. Maar zonder overdrijving, alleen al de kades langs de rivier en de bruggen maken deze stad een omweg waard. En de port natuurlijk!