'Afrikaanse kunst moet terugkeren'

In Londen is een rel ontstaan bij de opening van een tentoonstelling over vijf eeuwen Afrikaanse kunst in het British Museum. Centraal staat de vraag of Afrikaanse kunst moet worden teruggegeven aan het land van herkomst.

Bij de topstukken hoort kunst die meer dan honderd jaar geleden door Britse soldaten uit het koninkrijk Benin is meegenomen uit het koninklijk paleis. De bronzen beelden in kwestie vormen de spil in een conflict tussen het British Museum en de Africa Reparations Movement (ARM), de vereniging die tracht Afrikaanse kunst terug naar Afrika te brengen.

De `Beninbronzen' kwamen in 1897 in het bezit van Groot-Brittanië na een strafexpeditie onder leiding van Ralph Moor. Een deel kwam terecht in het British Museum. In 1980 kocht de Nigeriaanse regering vier stukken en een Yoruba-masker in Londen voor bijna drie miljoen gulden. Hoewel het British Museum een sterk beleid voert om Afrika de mogelijkheid te bieden hun geschiedenis zelf te bewaren, is het museum nu dus zelf in een moeilijk parket beland. Het museum heeft te kennen gegeven er niet over te peinzen de kunst terug te geven.

De discussie is niet nieuw. Wat de Beninbronzen betreft, waren de Engelsen al in het begin van de 20ste eeuw verontwaardigd toen de Britse regering delen van de collectie aan Pruisen verkocht. De kunstwerken waren immers verworven met `hun bloed'. Een tussenoplossing werd gevonden: het museum van Leipzig kreeg het werk in bruikleen in ruil voor een financiële vergoeding. Susan Legène van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) in Amsterdam hoopt dat de discussie wordt opengebroken. ,,Daarbij komt nog dat de geschiedenis moeilijk kan worden teruggedraaid', meent ook R. Bedaux, Afrika-specialist van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. Ook de Benin-collectie van dat museum was afkomstig van Moor. Als het museum de vraag zou worden gesteld de kunst terug te geven, is het antwoord resoluut `nee'.

Volgens het KIT ligt de kwestie genuanceerder. Legène: ,,Het hangt ervan af wat de betekenis is van het werk en hoe de verhoudingen liggen tussen het land van herkomst en de huidige `verblijfplaats'.' Vergelijkbare situaties ondervond men in Leiden toen Indonesië na de rondetafel van 1949 kunstschatten terugvroeg. Uiteindelijk droegen zowel het Museum voor Volkenkunde en het Museum Naturalis in Leiden de voor Indonesië essentiële voorwerpen over aan de bevoegde Indonesische instanties.

Als alternatief voor een mogelijke teruggave van Afrikaanse kunst zijn zowel het Koninklijk Instituut voor de Tropen als het Museum voor Volkenkunde actief om de kunst ter plaatse te bewaren in het land van herkomst. Het KIT heeft projecten lopen in Tanzania en West-Afrika, het Museum voor Volkenkunde in Leiden concentreert zich vooral op Mali. Daar probeert men illegale kunsthandel en schatgraverij in te dammen.

Een nieuwe vleugel van het lokale museum in de Malinese hoofdstad Bamako is grotendeels gefinancierd door het Museum voor Volkenkunde. Nieuwe vondsten worden daar automatisch opgeslagen. Helaas laten de conserveringsmethoden, zoals die in Afrika worden toegepast, hun sporen achter. Jaren geleden verdeelde de universiteit van Utrecht een grote collectie tussen Leiden en Mali. Het deel dat naar Leiden ging is nog in goede staat, het deel dat terugging naar Afrika, maar nu in bruikleen is in Leiden, niet meer.

R.Bedaux hoopt dan ook dat de periode van bruikleen zo lang mogelijk zal duren, ,,dan zijn we tenminste zeker dat de omstandigheden voor de kunstvoorwerpen zo optimaal mogelijk zijn.'