Sportwereld niet gebaat bij vrije markt

De lof op de vrijemarktwerking wordt door velen bezongen. Echter, voor sommige bedrijfstakken, zoals de sport, moet een uitzondering worden gemaakt, meent Arjen van Witteloostuijn.

Het is een veel gehoord geluid: vrijemarktwerking moet worden gestimuleerd omdat daarmee de groei van de maatschappelijke welvaart is gediend. Deze gedachtegang is stevig verankerd in het beleid van de Europese Unie. Stap voor stap moeten Europese markten worden geliberaliseerd.

Inmiddels is de Europese voetbalmarkt aan de beurt. Onder dreiging van ingrijpen door de Europese Commissie hebben uiteenlopende belangenorganisaties de Zwitserse UEFA-onderhandelingstafel opgezocht. Het is een worsteling. De belangen van spelers botsen met die van de clubs, kleine voetbalorganisaties verschillen van mening met de grote voetbalverenigingen, en de doelstellingen van de Europese Commissie staan haaks op die van de UEFA en de FIFA.

Het lijkt erop alsof de blinde toepassing van de gedachte `vrijemarktwerking moet', zonder verdere analyse wordt toegepast op de Europese voetbalmarkt. De gedachtengang hierachter is tweeledig. Ten eerste: het vrije verkeer van arbeid moet worden afgedwongen door de mobiliteit van (`handel' in) spelers aan `normale' regelgeving te onderwerpen en ten tweede: professionele voetbalclubs moeten vrijelijk kunnen concurreren op de uiteenlopende deelmarkten (voor spelers, voor tv-inkomsten, voor voetbal-merchandising, enzovoort). Hierbij worden echter enkele eigenaardige en cruciale kenmerken van deze `markt' uit het oog verloren.

Het product van sportmarkten – en dus ook van voetbal – is concurrentie. De verkoopbaarheid van een sportcompetitie staat of valt met de `productie' van voldoende spanning. Daarmee is de sportbedrijfstak uniek – alleen daar is concurrentie een product in plaats van een prikkelmechanisme. De productie van sportconcurrentie is een `publiek' goed dat door de gehele bedrijfstak moet worden georganiseerd. Ook vanuit het perspectief van de individuele onderneming is monopolievorming buitengewoon contraproductief. Daarover wordt in elke andere bedrijfstak heel anders gedacht. Zonder (serieuze) tegenstand kan immers van een verkoopbaar `voetbalproduct' geen sprake zijn.

De productie van voetbalconcurrentie vraagt derhalve om kartelvorming. Het kartel moet niet alleen de concurrentie organiseren in de vorm van werkbare competities, maar moet daarnaast voldoende spanning waarborgen. Spanning bestaat bij de gratie van gelijkwaardigheid. Te grote kwaliteitsverschillen zijn de voetbaldood in de competitiepot. Wanneer bij voorbaat duidelijk is wie gaat winnen, is de lol eraf. Ergo: een voetbalkartel moet regelgeving in het leven roepen (en instandhouden) die ervoor zorgt dat de verschillen tussen de concurrerende voetbalondernemingen niet teveel oplopen.

Deze dubbele bedrijfstakdoelstelling – competitie-organisatie en spanningwaarborg – vormt het bestaansrecht van de KNVB, de UEFA en de FIFA. Natuurlijk kan deze langetermijndoelstelling van de bedrijfstak als geheel regelmatig botsen met het particuliere kortetermijnbelang van een individuele voetbalbedrijf. Uiteindelijk lopen de belangen echter parallel: de individuele club, de bedrijfstak en het publiek zijn alle gebaat bij een effectief voetbalkartel dat de productie van competitiespanning kan waarborgen.

Het is evident dat de blinde toepassing van het adagium dat vrijemarktwerking moet, de doodsteek is voor de voetbalsportbedrijfstak. Daarom moeten de mededingingsautoriteiten in Brussel en Den Haag voor bedrijfstakken in de sport een uitzondering maken: zonder een effectief kartel kan een florerende bedrijfstak niet bestaan. Alleen een voetbalkartel kan een competitie organiseren waarbij de productie van spanning voorop staat. Daarom overtreedt een voetbalkartel op grote schaal de `normale' mededingingswetten door bijvoorbeeld toe- en uittreding te reguleren via promotie- en degradatiereglementen, transferregelingen te ontwerpen die de mobiliteit van de speler beperken en geaggregeerde tv-inkomsten te benutten ten behoeve van de subsidiëring van de zwakkere voetbalverenigingen.

Dergelijke arrangementen zijn in `reguliere' bedrijfstakken ondenkbaar. In het licht van de huidige discussie over het spelertransfersysteem moet de vraag worden gesteld in hoeverre deze gedachtegang kan worden verenigd met dat van die andere dominante EU-filosofie: het vrije verkeer van arbeid binnen Europa moet worden gegarandeerd. Omdat een voetballer een werknemer is, moet hij zonder de last van kartelregelgeving kunnen overstappen van het ene voetbalbedrijf naar het andere. Dat wil zeggen: de karteluitzondering van sportbedrijfstakken mag zich niet zover uitstrekken dat daarmee de individuele vrijheden van de sporter/werknemer in het gedrang komen.

De verlaging van de Europese transferbelemmingen heeft vermoedelijk weinig gevolgen voor de spanning in de nationale competities. Alle Nederlandse voetbalorganisaties worden immers met een vergelijkbare inkomstenderving geconfronteerd. Het is zelfs denkbaar dat de achterstand van de Heereveenen, Twentes en Vitesses van Nederland op Ajax, Feyenoord en PSV kleiner wordt omdat tegen lagere kosten nieuwe spelers kunnen worden aangetrokken.

De consequenties voor de spanning in de Europese competities kunnen echter verstrekkend zijn. Omdat de clubs uit de rijkere competities in Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië en Spanje met grotere budgetten kunnen werken, zal een grote uitstroom van talentrijke spelers uit de kleinere landen naar deze grotere competities totstandkomen. Het gevolg is een toeneming van de achterstand van Ajax, Feyenoord en PSV op clubs als Barcelona en AC Milan, zodat successen van de Nederlandse teams in de Champions League en de UEFA Cup een toevallige uitzondering zullen worden. Geen wonder dat de topclubs uit de kleinere nationale competities de oprichting van een Euro League overwegen. Vrijmaking van de Europese spelermarkt gaat ten koste van de productie van spannende concurrentie tussen clubs in Europees veband.

Het is de vraag of het publieke belang daarmee gediend is. De argumenten van clubzijde dat spelertransfervergoedingen nodig blijven ter dekking van opleidingskosten, is van secundair belang. Waar het om gaat, is dat de productie van spannende Europese voetbalcompetities alleen mogelijk is indien de landenverschillen binnen de perken worden gehouden via de regulering op kartelniveau van kruissubsidies van rijke naar arme nationale competities. Behalve hoge spelertransfervergoedingen kan daarbij worden gedacht aan een herverdeling van Europese tv-inkomsten, Europese salarisplafonds en/of omgekeerde spelertoewijzingen. In ieder geval wordt met de toepassing van `gewone' vrijemarktregelgeving in sportbedrijfstakken in het algemeen en de Europese voetbalmarkt in het bijzonder, het paard achter de wagen gespannen.

Arjen van Witteloostuijn is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen.