Sharons onmogelijke opdracht

De Israëlische bevolking verwacht dat hun nieuwe premier, Ariel Sharon, een einde maakt aan de Palestijnse opstand. Het is een haast onmogelijke opgave.

Met ingang van vanmiddag is de rechtse nationalist Ariel Sharon premier van Israël, met de nationale veiligheid als prioriteit. De Likudleider staat voor een bijna onmogelijke opgave. Zijn bevolking verwacht van hem een antwoord op de Palestijnse opstand, die zich de afgelopen vijf maanden tot een kleine oorlog heeft ontwikkeld. Zijn werktuig om een oplossing te vinden is een kabinet dat hij een regering van nationale eenheid noemt, maar dat er een van nationale onenigheid is. Elke militaire maatregel die hij neemt tegen de Palestijnen, die als underdog worden gezien, zal in de buitenwereld als agressie worden begroet.

De intifada heeft zich de laatste weken als terreurcampagne ontpopt, en moslimextremistische Palestijnse groepen hebben verdere aanslagen aangekondigd om premier Sharon te begroeten. De Israëliërs hebben geen enkele reden te twijfelen aan hun beloften, en ze voelen zich machteloos en in verwarring. De Palestijnse leider, Yasser Arafat, van de zomer in Camp David nog vredespartner en bijna in het bezit van een Palestijnse staat met een deel van Jeruzalem als hoofdstad, is voor hen weer de vijand van vroeger. Het hoofd van de militaire inlichtingendienst, generaal-majoor Amos Malka, zei gisteren dat Arafat en zijn bestuur het terrorisme hun zegen geven – en Malka staat niet alleen in deze mening. Stafchef Shaul Mofaz heeft het Palestijnse bestuur gebrandmerkt als ,,terroristische entiteit''. Hoe dan ook heeft het Palestijnse leiderschap de laatste aanslag, zondag in Netanya (vier doden onder wie de dader), niet veroordeeld, en dat is de Israëliërs niet ontgaan.

In verkiezingstaal is het niet moeilijk de Palestijnse opstand neer te slaan. Leger en politie moeten met zwaarder materieel harder optreden dan onder premier Barak met zijn vredesplannen geoorloofd was, ongeacht slachtoffers en schade onder burgers. ,,Er is maar één manier om vrede te bereiken'', zei recentelijk de nieuwe, ultrarechtse minister van Nationale Infrastructuur, Avigdor Lieberman. ,,Door sterk te zijn, hard te zijn. Als ze terreur en oorlog willen, geven we ze terreur en oorlog.'' Lieberman heeft eerder ook bepleit, zo nodig, Iran, Egypte en Libanon te bombarderen. En de nieuwe minister van Binnenlandse Veiligheid, Uzi Landau (Likud), zei gisteren ,,dat we de strijd moeten verplaatsen naar het gebied van de tegenstander''. ,,Yasser Arafat moet begrijpen dat er een prijs moet worden betaald voor het geweld.''

Een enkeling heeft bepleit om de gebieden die de Palestijnen nu onder hun controle hebben weer te bezetten, maar dat wordt in het algemeen als onrealistisch gezien. Maar militaire operaties tot binnen het gebied waar de Palestijnen krachtens het akkoord van Oslo (1993) de volledige verantwoordelijkheid hebben, inclusief de veiligheid, worden wèl mogelijk geacht. Dit zou moeten worden gecombineerd met aanhoudende economische druk, om het Palestijnse leiderschap tot medewerking te dwingen dan wel ten val te brengen. Meer en meer wordt in Israël gedacht dat met een andere Palestijnse leider – wie het ook moge zijn – misschien beter zaken kan worden gedaan.

De werkelijkheid is weerbarstiger. De huidige, volgens Sharon en medestanders veel te voorzichtige, militaire en economische maatregelen hebben de gevoelens jegens de Israëliërs onder de Palestijnen alleen verhard. De economische misère is groot, de stemming opstandig. Er is geen enkele aanwijzing dat verscherping van het Israëlische optreden resultaten zal opleveren. Er is trouwens evenmin een aanwijzing dat Arafats bestuur wankelt, gaf gisteren ook generaal Malka toe.

En kan premier Sharon het zich permitteren zijn verkiezingstaal waar te maken? Zijn kabinet, van ultra-rechts tot en met de centrum-linkse Arbeidspartij, is het nergens over eens behalve dat harder tegen de Palestijnen moet worden opgetreden. Maar hoeveel harder? Daarover is men het weer volstrekt oneens. Zo hard als Lieberman en Landau? De nieuwe minister van Defensie, Ben Eliëzer van de Arbeidspartij, staat wel dichter bij Sharon dan bij zijn eigen ex-partijleider Ehud Barak, maar denkt niet in termen van extreem-rechts. En zijn partijgenoot Shimon Peres, terug als minister van Buitenlandse Zaken om de buitenwereld Israël te verkopen (hoewel hij een paar maanden geleden nog publiekelijk zijn afkeer uitte van een regering met Sharon), maakt zich onmogelijk als het Akkoord van Oslo te veel geweld wordt aangedaan. Voor `Oslo' kreeg hij samen met de later vermoorde premier Rabin en Arafat de Nobelprijs voor de Vrede.

Een extra complicerende factor is dat de belangrijke Amerikaanse bondgenoot allereerst het steeds overmoediger Irak opnieuw wil isoleren, met name in de regio. Dat betekent dat Washington zeer behoedzaam moet manoeuvreren waar het Israël betreft. Arabische leiders kunnen het zich tegenover hun pro-Palestijnse onderdanen niet permitteren zich met een onverdund pro-Israëlisch Washington te encanailleren. Saddam Hussein, die het in woord en daad opneemt voor de Palestijnen, is erg populair onder de Arabische burgers. Sharon zal daarom niet zonder meer op Amerikaanse steun kunnen rekenen. President George W. Bush is niet de soulmate die Sharon in hem zag.

Een volksopstand neerslaan, dat kan alleen op de wijze van wijlen de Syrische president Hafez al-Assad of van Saddam Hussein: met massaal, volstrekt willekeurig, intimiderend geweld. Voor de Palestijnse opstand is uiteindelijk geen andere oplossing dan het vredesoverleg te hervatten. Maar dat zal wel een volgende regering worden.