Redding uit de ruimte?

Onlangs was Dr Nii Quaynor in Nederland, sinds jaren een van de kopstukken in de Internet Society (www.isoc.org), en directeur/oprichter van het Ghanese bedrijf Network Computer Systems (www.ghana.com) dat in augustus 1995 als een van de eerste Afrikaanse bedrijven toegang kon leveren tot internet. Kort daarna moest ik indertijd in Accra zijn, ving het gerucht op dat het land sinds kort echt op het internet was aangesloten, en arriveerde na een reeks taxiritten, vaak naar de weg vragen en een kwartier lopen bij de nette villa waar het gebeurde. Het gerucht bleek juist, en Quaynors deputy William Tevie zoefde – zo nonchalant kijkend als hij kon – demonstratief over de Yahoo-site. Met Afrikaanse snelheden, maar toch. Voor een ridicuul hoog bedrag per maand huurde NCS van de Ghanese PTT een 16 kilobit/s lijntje naar Cambridge in Engeland, vanwaar dé internetverbinding van Ghana verder ging via de reguliere backbones. Een NCS-abonnement kostte honderd dollar per maand, toen ongeveer drie Ghanese maandsalarissen.

De tijden zijn veranderd. Ghana telt nu veel toegangsleveranciers (ISP's) en Quaynor vertelde vorige week dat NCS inmiddels 10.000 abonnees heeft, ruim honderd keer zoveel als in september 1995. Via vier exclusieve NCS-satellietverbindingen kunnen ze aanzienlijk sneller en goedkoper surfen dan toen.

Je hoeft Quaynor weinig te vertellen over internet per satelliet vanuit Afrika, maar hij keek op toen hij hoorde van de laatste trend in onze streken: twee extra kaarten in je PC (een om te zenden, een om te ontvangen), een schoteltje op het balkon, een kabel ertussen, en zó snel interactief het net opdat je ISDN en ADSL in een digitale stofwolk achter je laat. Ongeveer 4500 gulden aan hardware ben je kwijt (www.websat.com; www.tiscsat.com), en je betaalt alleen per getransporteerde megabyte. Die techniek zou een uitkomst zijn voor Afrika: duizenden scholen, boerencoöperaties en telecenters (waar iedereen kan binnenlopen om te telecommuniceren) kampen met een zeer gebrekkige kabelinfrastructuur. Verbindingen vallen vaak uit, als ze al tot stand zijn te brengen. Alle Afrikaanse landen hebben internet, maar haast alleen in de grote steden: tegen lokaal tarief inbellen is in het grootste deel van Afrika nog een verre droom. Glasvezelkabels rond Afrika, zoals er nu een paar worden aangelegd, zullen vooral de telecomvoorsprong vergroten van de grote kuststeden. Quaynor zag er weinig in: ,,I want to conquer the Sahara.''

Kleine en vooral goedkope satellietverbindingen van het soort dat nu in westerse huishoudens verschijnt, zouden een oplossing zijn als er maar satellieten waren met zeer krachtige Ku-band spotbeams (te vergelijken met schijnwerpers) op de armste delen van Afrika. Hoe krachtiger het satellietsignaal en hoe hoger de frequentie (d.w.z. Ku-band en geen C-band), des te kleiner de apparatuur op de grond kan blijven. En hoe betaalbaarder internet wordt voor Afrikanen op het platteland, waar telefoons en internet-inbelpunten schaars zijn. Het probleem: de huidige Ku-band spotbeams op Afrika staan gericht op de relatief rijke delen zoals noord Egypte of Zuid Afrika of zijn te zwak. Aan vertegenwoordigers van grote satellietondernemers zoals het hoofd Afrika van Intelsat en zijn collega van PanAmSat, en bij donororganisaties als de Wereldbank en de ITU, heb ik de laatste jaren vaak gevraagd: waarom gaan de krachtigste satellietsignalen niet naar de armste delen van Afrika, waar ze het hardst nodig zijn, eventueel met medefinanciering door donorlanden en donororganisaties? De satellietboeren hebben, kort samengevat, geen boodschap aan armoede – zelfs niet als ze een kans voor open doel hebben er iets aan te doen. En donoren van ontwikkelingsgelden wagen zich nauwelijks of niet aan het financieren van grote telecominfrastructuur, dat moet `de markt' doen. Intussen glippen de kansen voorbij.

Over vier weken meer.