Heimwee naar Holland

`Het land van herkomst' luidt dit jaar het thema van de Boekenweek die 14 maart begint. Het is een invitatie aan schrijvers van over de grens om hun leven tussen twee culturen op papier te zetten. Bij die `andere' cultuur zal het niet alleen meer om Indonesië, Suriname en het Caraïbische gebied gaan, maar ook om Marokko, Turkije, Iran en misschien een paar zwart-Afrikaanse landen.

Maar je kunt het thema even goed betrekken op Nederlandse schrijvers die vanuit de verte over hun vaderland schreven. Onder hen bevinden zich natuurlijke erkende Nederland-haters, zoals Multatuli en Slauerhoff. Leo Vroman, die het zinnetje `liever heimwee dan Holland' bedacht, hoort daar eigenlijk ook bij.

Maar niet iedereen was het met Vroman eens. Sommigen ondekten pas in den vreemde hoezeer ze aan Nederland verknocht waren. Het aanvankelijke beetje heimwee groeide uit tot een woekerplant die hun hele denken in beslag nam.

Neem de Groningse dichter Koos Schuur. In de jaren vijftig vertrok hij als landverhuizer naar Australië. Hij hield het er twaalf jaar vol, maar om nu te zeggen dat hij het land liefhad, nee ... In `De kookaburra lacht' klaagt hij steen en been over het gebrek aan cultuur in zijn nieuwe vaderland. Zeker, de mensen zijn er vriendelijk en het landschap is prachtig, maar voor Cultuur en Kunst heeft niemand in deze pionierssamenleving een spat belangstelling. Dit volk draagt een enorme leegte met zich mee, stelt Schuur vast; alles blijft in Australië aan de oppervlakte. De conversatie draait alleen om het huis, de auto en sport. Die huizen zijn een kruising tussen `een Drentse koestal en een Italiaans boudoir uit 1900 met een Engels koloniaal tintje'. In `Zuidland' schreef Schuur heimweegedichten over zijn veenkoloniale geboortegrond. `Diep in mijn hart voel ik de hechte band / die mij verbindt met deze nuchtre streken.'

Bas Veth slaagt er onder de Indische tropenzon evenmin in het land van herkomst te vergeten. `Het leven in Nederlandsch-Indië' (1900) is een schotschrift, een sarcastisch en zeer vermakelijk requisitoir tegen de zeden in het oude Indië.

Al op de mailboot die hem naar Indië brengt, begint hij zich te ergeren aan het gedrag van de oudgasten. Na het Suezkanaal hult men zich in witte pakken en sarongs en wandelt men op blote voeten over het dek. Hoe dichter het schip de kust van Indië nadert, hoe vaker wordt er aan boord gesproken over dat heerlijke Indische eten: `Zoiets lekkers van de waroeng, ja!' De passagiers verheugen zich werkelijk op een gerecht dat `roedjak' heet, schrijft Veth vol afkeer, een `wrang, zuur eten dat een Europeaan van maagpijn over het dek zou doen rollen en waarvoor apen zouden bedanken.' De hele rijsttafel is hem een gruwel. Aangezien het vlees in Indië zelden goed is, de vis er halfbedorven in het water rondzwemt, de kip er taai en mager is en de groente niets anders is dan wat `grashaksel', wordt alles overgoten met enige `stinksausjes'. `Welke Europeaan eet nu trassi ... ik vraag u, stinkende rot-garnalen?'

Na de rijsttafel verdwijnt de Indischman onder de klamboe, waar hij tot vijf uur 's middags als een boa constrictor ligt opgerold.

De reis naar Indië was de grootste fout die Veth in zijn leven had gemaakt. Hij voelde geen enkele band met de `hersenloze plebejers' die hun vrije tijd verdelen tussen de kletstafel in de soos en de bijzit in de kampong. `De twaalf jaren die ik in die streken van ballingschap doorbracht, zijn mij als twaalf verschrikkelijke droomen. Goede mensen werden er slecht; nooit slechte goed. Al wat er fris aankomt, wordt flets, wat bloost, verbleekt, wat bloeit, verlept, wat schittert, wordt mat, wat gloeit, wordt uitgedoofd.'

Geef hem, in plaats van de palmen en waringins maar de wilgen, de populieren, de suizende wind en de frisse lucht van Holland. Vol heimwee herinnert hij zich de heldere winterhemel en de rode wangen van de boerenkinderen die op de slootjes schaatsten.

`De lentelach van Europa' kent men in Indië niet, stelt Bas Veth vast. Men kent er alleen een `suffige, apathische tropengrijns'.

Oost west thuis best, luidde zijn nieuwe lijfspreuk.