Vermeer stelt museum voor problemen

Het Metropolitan Museum in New York is niet geïnformeerd over de voorgenomen verkoop van een recentelijk `herontdekt' schilderij dat sommige experts toeschrijven aan Johannes Vermeer (1632-1675).

Dat bleek gisteravond bij de opening van de tentoonstelling Vermeer en de Delftse School in het Metropolitan Museum in New York, waarin Vermeers Jonge vrouw zittend aan virginaal officieus is opgenomen. De waarde van het kleine, maar omstreden doek werd dit weekeinde in The Sunday Times al gesteld op ruim tweehonderd miljoen gulden, terwijl Nederlandse experts twijfelen aan de echtheid.

,,Ik heb dat gerucht ook gehoord'', zegt Walter Liedtke, als Metropolitan-conservator verantwoordelijk voor de tentoonstelling. Liedtke ontkent op de hoogte te zijn gebracht door de eigenaar van het schilderij, de Belgische kunsthandelaar Freddie Rolin. En dat kan het museum in een lastig parket brengen, omdat het met het opnemen van deze Vermeer in de prestigieuze tentoonstelling de prijs ongewild kan hebben opgedreven. Liedtke benadrukt dat om diezelfde reden prijzen in het verleden ook wel eens zijn gedaald. Over de echtheid van het schilderij, waarvan recentelijk bleek dat het pigment niet 18de-, maar toch 17de-eeuws kan zijn, wil de conservator geen uitspraak doen. Door de opname in de tentoonstelling, buiten de catalogus, wil Liedtke kenners de mogelijkheid geven een oordeel te vellen.

Het schilderij is al dertig jaar niet meer in het openbaar te zien geweest. Op de New-Yorkse tentoonstelling die gisteren door prins Willem-Alexander werd geopend, hangt het naast twee doeken van andere vrouwen (een staand en een zittend) aan een virginaal die wel onomstotelijk van de hand van Vermeer zijn. Het omstreden werk is veel kleiner dan de andere twee, minder kleurrijk en minder levendig. De jonge vrouw draagt een okergele omslagdoek over een lichte jurk en kijkt tegen een lichte ondergrond met een enigszins onbestemde glimlach naar de toeschouwer. Critici wezen al op de matig geschilderde armpjes van de vrouw die de toetsen van het virginaal bespelen. Maar ook van de `echte' Vermeers ernaast moet gezegd worden dat de vrouwenarmen ietwat merkwaardig in het muziekinstrument verdwijnen.

Het Metropolitan kreeg vijftien Vermeers in bruikleen. waarvan zeven uit Amerikaans bezit komen. Aanzienlijk minder dan de 22 die in 1996 in het Haagse Mauritshuis hingen op de legendarische Vermeer-tentoonstelling die in die bijna identieke samenstelling destijds naar de National Gallery of Art in Washington reisde. Maar in New York (en later in The National Gallery in Londen) is wel de heel vroeg geschilderde Koppelaarster (1656) te bewonderen, die volgens de `Met' al meer dan driehonderd jaar Dresden niet uit is geweest. Liedtke had voor zijn tentoonstelling ook graag de beschikking gehad over Gezicht op Delft, maar kreeg daarvoor van het Mauritshuis geen toesteming: ,,Ik begrijp dat best, dat dergelijke nationale kunstschatten het land niet verlaten. Er komen daarvoor in Den Haag zoveel bezoekers, dat je ze moeilijk kan uitleggen: die hangt in New York.'' Vermeers Straatje uit het Rijksmuseum is wèl te zien.

Behalve Vermeer hangen er in de twaalf zalen ook tientallen werken van tijdgenoten als Pieter de Hooch, Emanuel de Witte en Carel Fabritius. Veel aandacht is er voor de Oranjes met portretten van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik, en diverse schilderingen van de tombe van Willem de Zwijger (`de George Washington van Nederland'). Liedtke wil daarmee benadrukken welk een invloed het prinselijke hof – aanvankelijk in Delft, later in Den Haag – had op de schilderkunst in Delft. ,,De Delftse school was veel meer dan een aantal gezellige huiselijke tafereeltjes'', aldus Liedtke.