Veiligheid hoeft geen grondrecht te zijn

Het voorstel van CDA-leider J. de Hoop Scheffer om het `recht op veiligheid' in de grondwet op te nemen, moet met reserve worden benaderd. Het kan een opstapje zijn voor draconische maatregelen, vindt F. Kuitenbrouwer.

Wat moet een grondwet zijn? Dat is een lastige vraag, die toch in de loop der tijd menige auteur – van geleerden en/of politieken huize – heeft verleid tot stellige uitspraken. De Nederlandse staatsrechtsgeleerden Van Maarseveen en Van der Tang gaven daar jaren geleden een mooi oordeel over: meestal komt het erop neer dat men een eigen politieke opvatting verkleedt en onherkenbaar maakt met behulp van een wetenschappelijk betoog en er aldus algemene gelding aan pleegt toe te schrijven.

Dat kan tot belangwekkende en belangrijke discussies leiden, maar voordat een standpunt het echt tot grondwetsbepaling brengt, is méér nodig: een zekere `constitutionele rijpheid', zoals het nog niet zo lang geleden mooi werd uitgedrukt door een Nederlandse staatscommissie. Is dat stadium al bereikt door het voorstel van het CDA in deze krant van 27 februari verdedigd door fractieleider De Hoop Scheffer, om een `recht op veiligheid' als een van de rechten van de mens op te nemen in de Grondwet?

Voorlopig passen vooral vraagtekens. Ten faveure van het CDA-voorstel is aangevoerd dat het recht op veiligheid zojuist is opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat op de jongste Eurotop in Nice werd geproclameerd. Dit is echter een drogreden, die het voorstel geen goed doet. Het nieuwe EU-grondrecht verwijst naar een al langer bestaande bepaling in het Europees verdrag voor de mensenrechten. En dat heeft betrekking op bescherming van de burger tégen de overheid in geval van aanhouding en detentie.

Maar dat bedoelt De Hoop Scheffer niet. Hij wil een aanspraak van de burger op bescherming door de overheid tegen anderen. Dat dit een kerntaak van iedere staat is, zal wel niemand betwijfelen. Vroeger stond in de Grondwet: ,,allen hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen''. Dat zei echter niet zozeer iets over de veiligheid, als wel over het gelijkheidsbeginsel. Een `recht' op veiligheid was het niet. Evenmin betekent het schrappen van deze zinsnede in 1983 dat de grond onder de overheidstaak zich in te zetten voor de interne veiligheid is weggeslagen. Daar heeft men de Grondwet niet voor nodig.

Een grondwet is wel nodig om de burger te behoeden voor overheidsinmenging. De Handvestbepaling over veiligheid staat niet voor niets in het hoofdstuk `vrijheid' – tégen de overheid dus. Nu kent onze Grondwet ook de zogeheten sociale grondrechten. Deze zijn te onderscheiden van de klassieke afweerrechten, zoals de bescherming tegen arrestatie en detentie. Daarbij behoren harde aanspraken tegen de overheid. De sociale grondrechten belichamen daarentegen niet direct afdwingbare zorgplichten voor de staat. Voorbeelden zijn het recht op huisvesting of gezondheidszorg.

Waarom zou het recht op veiligheid niet expliciet worden opgenomen in deze categorie? De moeilijkheid is dat de verwezenlijking van een sociaal grondrecht op veiligheid al gauw wringt met de klassieke vrijheidsrechten. Want laten we wel zijn: De Hoop Scheffer denkt bij de invulling van zijn nieuwe mensenrecht niet primair aan de bouw van meer jeugdhonken en vrije crackverstrekking aan onreclasseerbare junks, maar aan de strafrechtelijke opsluiting van verslaafden en preventief fouilleren.

Deze twee laatste maatregelen zijn hetzij al ingevoerd of in de maak, ondanks alle bedenkingen vanuit de klassieke vrijheidsrechten. Dat illustreert de overbodigheid van nog weer een nieuw recht op `veiligheid' (wat dat ook precies mag inhouden) en geeft voedsel aan het vermoeden dat het vooral moet dienen als opstapje voor draconische maatregelen. Dat is een politiek pleitbare zaak, maar dient niet te worden verward met grondrechten. De wijze waarop het CDA het Europese `recht op leven' alsnog probeert in te zetten voor zijn bezwaren tegen de voorgestelde Nederlandse euthanasiewet, draagt – afgezien van zijn politieke medeverantwoordelijkheid uit het verleden – niet direct bij tot vertrouwen in het gehalte van zijn grondrechtenbeleid.

Het pleidooi van De Hoop Scheffer c.s. komt dicht in de buurt van de definitie die de scheidende burgemeester van New York, Giuliani, eens gaf van `vrijheid': ,,de bereidheid van ieder mens om aan het wettig gezag een groot deel af te staan van de beschikkingsruimte over wat je doet en hoe je het doet''. Dat is de Grondwet op zijn kop.

Giuliani maakte naam met een beleid van zero tolerance, een aanpak die zeker zijn verdiensten had, maar heeft geleid tot de klacht dat de politie in zijn stad opereert als `een bezettingsleger in gemeenschappen van minderheden'. Ook in Nederland is de tijd van `alles moet kunnen' voorbij, zoals de Amsterdamse hoofdcommissaris Jelle Kuiper noteerde in zijn nieuwjaarstoespraak 1998. Maar hij haaste zich zero tolerance met zoveel woorden te bestempelen tot een `onnederlands beleid'. Zelfs de bijsmaak hoort niet thuis in onze Grondwet.

F. Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.