Onthoofden geen koppensnellen

Bij geweld van Dajaks tegen Madoerezen is bij een aantal Madoerezen de kop `gesneld'. Dit onthoofden komt, anders dan het rituele koppensnellen, niet voort uit de Dajak-cultuur, maar is een vaker toegepast terreurmiddel, meent Freek Colombijn.

In de Indonesische provincie Midden-Kalimantan zijn recentelijk honderden doden gevallen bij vechtpartijen tussen inheemse Dajaks en migranten uit Madoera. Van een niet nader vastgesteld aantal Madoerezen is de kop door Dajaks `gesneld'. In zijn artikel `De ziel van het slachtoffer tot bondgenoot' verschafte Dirk Vlasblom in deze krant van 24 februari lezenswaardige gegevens over de traditie van het koppensnellen. Het onthoofden van de Madoerezen zou voortkomen uit de schier onuitroeibare traditie van het snellen en in de razernij `kroop het bloed weer even waar het niet gaan kan'. Maar onthoofden is nog geen koppensnellen.

Koppensnellen was een rituele praktijk, waarvoor verschillende redenen bestonden, zoals het beëindigen van een periode van rouw, het bevorderen van de vruchtbaarheid in de landbouw, het completeren van een communaal bouwwerk, of de initiatie tot een volwassen man. Tijdens de rituelen werden de gesnelde hoofden mooi versierd, op een speciale, sacrale plaats bewaard, of anderszins op een haast liefdevolle wijze verzorgd.

Belangrijker dan wie onthoofd werd, is de vraag waar de trofeeën werden buitgemaakt. Alle koppensnellers in Indonesië gingen op expeditie naar ver weg gelegen plaatsen, die, in de kosmologie van de desbetreffende volkeren, voorbij de menselijke wereld lagen. Van de wezens die men daar aantrof werd het mens-zijn ontkend. De Iban van Borneo noemden hun slachtoffers `orang bukai', non-mensen. Juist het feit dat deze non-mensen onmiskenbaar zulke menselijke trekken vertoonden, was een reden om hen te doden en daarmee de inconsistentie in het wereldbeeld van de Iban te corrigeren. Met directe buren konden wel dodelijke oorlogen worden gevoerd, maar de hoofden werden niet gesneld, omdat deze niet de rituele en symbolische betekenis hadden van de koppen van verder weg.

Koppensnellen is geen eeuwenoud, onuitroeibaar aspect van de Dajak-cultuur. Al aan het einde van de achttiende eeuw probeerden VOC- dienaren op Borneo het koppensnellen afgeschaft te krijgen. Of de bemoeienis van de VOC effect had is twijfelachtig, maar in ieder geval waren in de negentiende eeuw tal van objecten bekend die bij de rituelen als vervanging van een net gesnelde kop konden dienen, zoals oude schedels, verse koppen van apen of niet-primaten, fragmenten van schedels, of kokosnoten. Het snellen van koppen hoort thuis in een bepaalde historische periode en kan het hedendaagse geweld niet verklaren.

Niet de symboliek, maar het doden op zich staat nu centraal en vele Madoerezen worden gedood zonder onthoofd te worden. Het geweld is geen aanval tegen buitenstaanders, maar een verdediging tegen indringers. De expedities zijn geen queeste naar het uiteinde van de wereld, maar aanvallen op nederzettingen in de directe omgeving. Bij voorkeur weerbare mannen in plaats van zwakkeren worden onthoofd. Het onthoofden van Madoerezen gebeurt door Dajaks gezamenlijk met inheemse Maleiers, die geen koppensneltraditie hebben.

De gruwelijke foto (uit 1999) bij het bovengenoemde artikel van Vlasblom laat zien dat geen sprake is van een respectvolle behandeling van de afgesneden hoofden. Het desbetreffende hoofd is `verminkt' – als dit woord hier nog op zijn plaats is – door een wond aan de slaap en een snee over het voorhoofd waardoor de schedel zichtbaar wordt. Tussen de verstarde kaken is spottend een brandende sigaret geklemd. Het hoofd wordt niet bewaard op een sacrale plaats, maar is geplaatst op een balk die over oliedrums is gelegd. Het kan haast niet anders of het betreft hier een wegversperring, bedoeld om een bepaald territorium te claimen. Deze kop dient maar één doel: het verspreiden van angst.

Dezelfde terreur van het onthoofden van tegenstanders en het tentoonstellen van de koppen, vaak op stokken gestoken, vond plaats in Aceh na 1990 en Oost-Timor na 1975. Troepen en milities samengesteld uit Javanen, die helemaal geen koppensneltraditie hebben, hebben de methode eveneens toegepast bij de vervolging van communisten in 1965 en 1966 en het smoren van een rebellie in West-Sumatra in 1958. Het onthoofden van Madoerezen komt dus niet voort uit een zogenaamd niet te onderdrukken aspect van de Dajak-cultuur, maar is een voorbeeld van een vaker toegepast terreurmiddel.

Freek Colombijn is universitair docent bij de opleiding Talen en Culturen van Zuidoost-Azië en Oceanië van de Universiteit Leiden en research fellow bij het International Institute for Asian Studies.