Helaas: liever niet in de Arena

Op weg naar de schouwburg of de bioscoop zie je zoiets niet, maar op weg naar het voetbalstadion wèl: naarmate de toeschouwers dichter bij de kassa's en de ingangen komen gaan zij, ook al hebben zij de toegangskaarten in de binnenzak en begint de wedstrijd pas over een uur, steeds gehaaster lopen. Ik herinner me zulke colonnes van haastige, veelal zwijgende, verslaafden op dat laatste lange viaduct voor De Kuip van Feyenoord. Of over de Middenweg naar Ajax' vroegere stadion. Of, langer geleden, over de statige Haagse Sportlaan naar het statige Houtrust van het statige HBS (Houdt Braef Stant), waar het allang weer verdwenen Holland Sport (Spòggt) spectaculair onstatig was komen spelen. Of, nog een Haagse herinnering, door trieste Colijnse-crisisbouw-straten van de Zuiderparkbuurt, naar het ADO van de Timmermansen, Clavan, Schuurman en – even later – Mansveld en de vroeg kalende back Theo van den Burch (`krijten Theo', riep de toentertijd nog vriendelijke tribune als deze bij regenachtig weer verkeerd had gekopt).

Colonnes van achtergestelden, zei de geoefende socioloog, op zoek naar een gemeenschappelijk identificatiemoment, en een type geborgenheid dat veelal thuis of in het werk ontbreekt. Gedateerd idee? Nou ja, ik doe maar een gooi. En steun daarbij, toegegeven, op herinneringen uit een tijd waarin een flink deel van de toeschouwers nog niet vooral voor het `matten' naar de stadions ging. En waarin ook voetbal vergelijkenderwijs iets traags, iets aandoenlijks, had, zoals oude zwart-witfilms laten zien. En daardoor zoiets was als – héél vrij naar Anthony Powell – een dans bij de muziek van zijn tijd.

Kortom: de tijd van vóór Johan Cruijff en zijn mede-baby boomers die, even na de oorlog geboren, Nederland vanaf 1970 tamelijk beroemd zouden gaan maken als voetballand, en Ajax als voetbalclub. En die, dusdoende, voetbal en het grote geld dichter bij elkaar zouden brengen. En die voorts, vooral dankzij de rol van Cruijff als unieke speler, trainer en spreker, voor een nieuw en prettig lauw-warm grensgebied tussen voetbal, politiek, maatschappij en cultuur zouden helpen zorgen. Een gebied waaraan voortaan ook grote groepen van intellectuele Nederlanders in de Randstad plezier mochten beleven. Als dichter, schrijver, journalist, conferencier. Natuurlijk heel ver van de eveneens groeiende FC Patjepé in de skybox of op de eretribune, maar dicht bij het veld, en zonder het afstandelijke ironieteken van vroeger. Eindelijk die akelige gymleraar overwonnen, als het ware, die kerel die ooit rotgrappen maakte over je dunne benen of je smalle borst, en liefst als iedereen erbij stond.

Dat ironieteken ging zelfs zó ontbreken dat die Cruijff al tot symbool werd verklaard voor van alles wat in de afgelopen kwart eeuw ten goede veranderde in Nederland. Bij zijn 50ste verjaardag, in 1997, overkwam hem dat in een uitgaaf van het tijdschrift Hard Gras, dat zijn schrijvers en lezers vooral vindt in het eerdergenoemde grensgebied. In dat tijdschrift werd de jarige opgevoerd als een soort voorman in het emanciperende Nederland van de laatste 25 jaar van de twintigste eeuw, een modelman voor het ontwaken en volwassen worden van een eertijds slaperig-saaie zuilenstaat. Daarvan – namelijk dat sportieve en financiële voordelen soms nog méér voordelen meebrengen, zoals een hoofdrol in een culturele revolutie – zal Cruijff nog hebben opgekeken.

Vorige week woensdag heb ik, voor de eerste keer, de Amsterdamse Arena bezocht om de oefeninterland Nederland-Turkije te zien. Anders gezegd, ik ben, dankzij een uitnodiging van een grote sponsor en voorzien van een parkeerkaart en een toegangsbewijs voor de KNVB-ontvangst (nog een persoonlijke primeur), naar die interland gegaan om de Arena te zien. Veel over gehoord en gelezen, doorgaans weinig goeds, maar nieuwsgierig gebleven.

Wat opvalt, wanneer je per auto gaat, is dat er een zekere hiërarchie schuilt in de nummering van de parkeerterreinen. Van hoger genummerde parkeerterreinen moet er nog een stuk worden gelopen naar het imposante stadion. Wie, zoals ik, echter P1 op zijn kaart heeft staan, rijdt de buik van het complex in en zet zijn auto – letterlijk – vlak onder het speelveld. Hij is er zo misschien een heel klein beetje aan medeschuldig dat het gras even hoger, aan de andere kant van het beton, maar niet goed wil groeien. De ruimte in die eerste van de parkeergarages blijkt keurig verdeeld tussen de sponsors, wat iets kan zeggen over de herkomst van de gebruikers. De gang uit die garagebuik omhoog, althans de weg die de stewards mij opdroegen, voert langs een roltrap met grote foto's van Ajacieden die, we gaan immers omhoog, hun club beroemd hebben gemaakt. Dat de eerste actiefoto Cruijff laat zien, en dat de vervolgroute boven ook naar hem is vernoemd, verbaast niet. Eigenlijk zou dat hele stadion naar hem hebben moeten heten, want zonder zijn bijdrage aan de clubgeschiedenis zou Ajax later waarschijnlijk niet hebben nagedacht over zoiets als de Arena. Maar die discussie is allang gesloten, en zoals we intussen weten is een sportieve Nemesis pas daarna het gras gaan bestellen.

Die ontvangst van het KNVB-bestuur was aardig-ontspannen, en heel geschikt om de toevallige bezoeker van een paar vooroordelen af te helpen. Hij was niet poenig of vettig, en hij kende gelukkig ook niet de geluidsterreur die anders in sportkringen wordt toegepast om te voorkomen dat mensen iets tegen elkaar zeggen. Voor je kleinzoon zie je dankzij zo'n vrijkaart veel handtekeningen rondlopen (heren Michels, Koeman, Van Marwijk, na afloop een reeks spelers), en je moet hopen dat hij later zal begrijpen dat je daarnaar niet hebt durven vragen. Zoals een Amerikaanse conferencier ooit over zulke situaties zei: you would rather die than make an ass of yourself.

De wedstrijd zelf was helemaal niet zo gek, maar voetbal zonder doelpunten is nu eenmaal minder boeiend, dat geldt al bij de pupillen. En je moet het op een echt veld spelen. Dat wil helaas zeggen: eigenlijk liever niet in de Arena.