Bonden miskennen rol van OR

Namens wie spreken de vakbonden eigenlijk, vroeg VVD-Kamerlid Geert Wilders zich onlangs af in deze krant. En welke waarde hebben collectieve dwangverbanden nog in een tijd dat iedereen zijn arbeidsvoorwaarden het liefste à la carte samenstelt? Terechte vragen, maar een beter alternatief biedt Wilders niet. Toch is dat er wel: de Ondernemingsraad zou een veel grotere rol kunnen vervullen om het beoogde maatwerk mogelijk te maken.

Feit is dat steeds minder werknemers zijn aangesloten bij de organisaties die hen aan tafel exclusief vertegenwoordigen én dat mensen in toenemende mate individuele keuzes willen maken in de regeling van hun arbeidsvoorwaarden. Het is onmogelijk om zowel deze maatschappelijke trend te honoreren als de bestaande CAO-systematiek ongemoeid te laten.

Het monopolie van de bonden, zelfs als zij verworden tot generaals zonder leger, is nog nauwelijks in gevaar. Met name de ondernemingsraden worden daardoor tot een plek op de achterbank gedwongen, met steun van de overheid en de rechter. Zo bepaalde de Hoge Raad recentelijk dat de ondernemingsraad geen rechten heeft met betrekking tot primaire arbeidsvoorwaarden. Daarmee bevestigde hij de visie van de wetgever. Deze heeft de `OR' in artikel 27 van de Wet op de Ondernemingsraden wel instemmingsrechten gegeven, maar de hiergenoemde arbeidsvoorwaarden liggen vooral in de secundaire en tertiaire sfeer. Primaire arbeidsvoorwaarden zijn voorbehouden aan de vakorganisaties.

In de praktijk doen zich niettemin tegengestelde ontwikkelingen voor. De inmiddels ruim volwassen geworden ondernemingsraad mengt zich zeker in CAO-loze ondernemingen steeds meer in onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden. De hevige concurrentie op de arbeidsmarkt roept immers om maatwerk op bedrijfsniveau. Het is jammer dat de wetgever vooralsnog weigert om deze ontwikkelingen adequaat te codificeren. Nederland kan daarom een voorbeeld nemen aan Duitsland, waar men de Betriebsvereinbarung kent: een overeenkomst tussen ondernemer en ondernemingsraad met rechtstreekse doorwerking naar individuele werknemers.

Met het opeisen van hun exclusieve positie bestrijden de vakbonden de verkeerde vijand en lopen de kans mis om te werken aan draagvlakherstel (of zelfs het eigen bestaansrecht veilig te stellen). Door als ondernemingsraad en vakorganisaties samen op te trekken, kan men van elkaars kennis, vaardigheden en contacten profiteren. Een terugtredende vakbond is voor de bonden geen bedreiging maar biedt de kans om zich als coach van de ondernemingsraad te gaan ontwikkelen.

Door het erkennen van de ondernemingsraad als volwaardig arbeidsvoorwaardenonderhandelaar op bedrijfsniveau en het huidige `duale stelsel' te vervangen door een `drie partijen-model' met een gelijkwaardige positie voor vakbonden en ondernemingsraad, kan een brug tussen de oude en de nieuwe tijd worden geslagen. Dat dient het belang van de werkgever, de werknemer én de bonden.

Mr. J.A. van Gijzen is arbeids- en medezeggenschapsrechtdeskundige.