Beeldenstorm

HET IS DIEP frustrerend voor de internationale gemeenschap te moeten toezien hoe het Talibaan-regime in Afghanistan zich opmaakt cultureel erfgoed van de mensheid op te blazen. Door de eeuwen heen overgeleverde beelden van het boeddhisme worden nu opeens stukgeslagen. Men mag hopen dat er hier en daar nog wat het land kan worden uitgesmokkeld (daar is per slot van rekening enige ervaring mee in die streken), maar de graeco-boeddhistische rotsbeelden in Bamiyan zijn weerloos.

De iconoclastische reflex is geen uitzondering in de wereldgeschiedenis. De Byzantijnse keizer Leo III die de term in het leven riep, was afkomstig uit het binnenland van Anatolië en deze nabijheid tot de islam is wel mede als inspiratiebron aangevoerd. Het stukslaan van beelden is echter bepaald niet een typisch islamitische traditie. In onze streken gaat hij terug tot Heristratos die in de nacht dat Alexander de Grote werd geboren de tempel van Diana in Efese, een van de zeven wereldwonderen, in brand stak. Zijn verklaring: hij wilde dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Dat is naar valt te vrezen een blijvend motief geworden.

ONZE BESCHAVING kent een spoor van iconoclasme, van de Beeldenstorm in de Lage Landen tot de Franse Revolutie en de huaqueros die in de jungle van Latijns Amerika oude Maya-tempels aan stukken zagen voor een paar stèles. Het zijn processen die, eenmaal begonnen, al gauw een eigen dynamiek ontwikkelen. De diepere drijfveren blijven iets raadselachtigs houden. De gewelddadige reactie zegt iets over de kracht die van afbeeldingen uitgaat: zowel de bezwaren van politieke of zedelijke aard (het afslaan van geslachtsdelen van beelden) die zij oproepen als ook de dwangvoorstellingen die individuele kunstvernielers in hun greep kunnen houden.

Er bestaat ook een `klein iconoclasme', al zwijgt men daar in vakkring liever over: het dagelijkse vandalisme in musea - soms een ware plaag - en het verborgen iconoclasme van inadequate opslagplaatsen waar waardevolle kunstobjecten soms letterlijk wegrotten. In tijd van oorlog is aan kunstobjecten een speciale bescherming toegekend door een Haags verdrag uit 1954 dat twee jaar geleden nog speciaal werd aangevuld met het oog op niet-internationale conflicten. Het opmerkelijk brede protest tegen de vernielzucht van de Talibaan is een teken dat deze verklaring niet de dode letter is die hij lijkt in een tijd waarin de kostbare bibliotheek van Sarajevo gericht aan flarden werd geschoten.

HET IS EEN schrale troost dat systematische vernieling van cultureel erfgoed een onderdeel uitmaakte van de aanklacht tegen de oorlogsmisdadigers in Neurenberg na de Tweede Wereldoorlog. Eens zal het volk van Afghanistan het fundamentalistische juk wel afwerpen. Maar voor de boeddha van Bamiyan komt dat te laat.