Wie wij zijn

,,Het is weer de Hollandse'', vertrouwt de groenteman mij toe terwijl hij een nogal sliertige komkommer in mijn mand legt. ,,Nog wat dun, maar lekker hoor.'' Voor de zoveelste keer weet ik niet precies wat ik moet zeggen. Blij knikken maar. Is er echt verschil tussen Hollandse en geïmporteerde komkommer, of tussen normale bloemkool, en die minuscule Hollandse van wel zeven gulden? ,,Ja, Hollandse graag'', zeggen de mevrouwen die het kunnen weten en betalen. Proeven ze dat, of voelen ze wat?

Ik denk het laatste.

Nationalisme tiert welig bij de groenteman, en niet alleen daar. Eigen peen eerst, denken de mensen, al houden zij zich er niet altijd aan, want Spaanse is goedkoper. (En als je 's winters zin hebt in sperciebonen, ben je wel gedwongen ze uit Ivoorkust te laten aanvliegen.)

Het is waar, de bereidheid om je voor vorst en vaderland te laten doodschieten is in onze streken wel een stuk minder geworden. Zelfs die om ze in het buitenland diplomatiek te vertegenwoordigen schijnt zorgwekkend laag te zijn. De sociale bereidheid ontbreekt, zoals een visserijbaas onlangs tegen de krant zei, toen hij vertelde waarom zijn bemanningen grotendeels uit buitenlanders bestaan. Nederlandse zeelui willen geen drie tot zes weken op zee blijven. Maar terwijl haast niemand zich nog veel ongemakken wil getroosten voor het vaderland of het bedrijf, zijn de breedvoerige debatten over `wie wij zijn' niet van de lucht. Nationalisme kruipt waar het niet gaan kan.

Zo werd in het Rijksmuseumdebat, vorige maand in de Beurs van Berlage, minstens een uur besteed aan gezwatel over de nationale cultuur en hoe die in het museum zou moeten worden getoond. Er moest recht worden gedaan, zo vond menigeen, niet alleen aan de glorie maar ook aan de schaduwzijden van het verleden. De zwarten, de armen, de vrouwen, zij moesten ook `terug te vinden zijn'. Hoe precies, dat bleef onduidelijk (als het maar niet chronologisch geordend was, want dat was toch echt passé). De mensen die vonden dat je gewoon onbetutteld de collectie moest kunnen bekijken, werden weggehoond door de bevlogenen die het hadden over beelden, verhaaldraden, en vooral: de nationale identiteit.

Onderwijl stond twee kilometer verderop het reëel bestaande Rijksmuseum, compleet met al zijn schatten, te wachten op uitsluitsel. Het zou toch over hun toekomst gaan? Maar nee: voorwerpen worden steeds minder interessant gevonden in het land van veel te veel. Ideeën, daar maken we ons druk over. En gevoelens, particuliere, of liever nog: collectieve. Eigen gevoelens eerst.

De opgeleefde nationale navelstaarderij wordt wel eens verklaard door het vervagen van de Europese grenzen. Er zit wel wat in: wie is er niet van de goede Hollandse gulden gaan houden nu hij al bijna door de schoorsteen is gejaagd omwille van zoiets onplezierigs als een Europese munteenheid?

Maar als verklaring is dat veel te onschuldig. Nationalisme is een eng instinct, het is discriminatie in schaapskleren, iets waarin je makkelijk vervalt, tenzij je hebt geleerd dat het niet netjes is. Er moet op de lagere school tegen worden gewaarschuwd, net als tegen roekeloos vrijen, racisme en het geloof in de Lieve Heer. Dat het op het ogenblik vooral tot uiting komt in collectief getob maakt de zaak niet beter. Wij zijn iets heel bijzonders, zo zoemt het door de krantenkolommen en de debatavonden, wij moeten in het reine komen met ons verleden, wat nog iets heel anders is dan uitzoeken hoe het is gegaan. Nee, er moeten nieuwe gedenktekens komen, of de oude moeten anders, we hebben een visie nodig, maar welke?

Hup Holland, het kleine landje zet de schouders onder zijn eigen volkskarakter, pardon, nationale identiteit. We leren allemaal in onze eigen hoed te spugen. Nederland verdient Máxima, stond laatst boven een artikel in een nette krant. Wie is dat Nederland precies en wat wordt er in vredesnaam bedoeld met dat verdienen? Waarschijnlijk niks, maar het gevoel dat uit zo'n formulering spreekt, staat me niet aan.