Column

Supporter

Zit weer in Rome. Met twee vrienden dit keer. Ook voetbaljongens. Gisteravond AS Roma-Inter. Het kan minder. Het werd een droompotje. Vieri twee kansen, twee doelpunten: 0-1 in de veertiende minuut, een minuut later 1-1. Na een half uur 2-1 door Montella. In de blessuretijd van de eerste helft toch nog 2-2. Spannende tweede helft en vijf minuten voor tijd 3-2. Weer Montella. Romeinse held. Magische Montella schreeuwden de kranten twee uur later. Toch was het de wedstrijd van Totti. Splijtende passjes en continu lepe balletjes. Of ik genoten heb? Nogal. Sowieso van het voetbal, maar nog het meest van het publiek. Ze schreeuwen en fluiten zich hees en scheel om hun mannen te helpen en huilen hun club letterlijk naar de overwinning. Voor de wedstrijd wordt het clublied van Roma gezongen en dan biggelen bij heel veel grote mannen zoute tranen over hun wangen.

Roma kan kampioen worden. Ze staan bovenaan, zes punten voor op het gehate Juventus en nog meer op hun stadsgenoot en aartsrivaal Lazio. Ik was voor Roma. Waarom? Omdat ik niet dom ben. Als je van je gezin houdt en een beetje aan het aardse gehecht bent, dan moet je in Rome voor Roma zijn. Voor de wedstrijd viel in ons gesprek het begrip San Siro, de thuishaven van Inter. Er werd zeer dreigend omgekeken. Bij het eerste doelpunt van Inter zwegen we devoot. De rest van ons vak gooide alles wat los en vast zat richting de Milanese spelers. Veel goedgevulde flessen water, scherp geslepen muntjes en ook zag ik een enkel stoeltje richting het veld zweven. Gelukkig werd het heel vlug 1-1. Toen reageerde men al enigszins psychotisch, maar toen vijf minuten voor tijd Montella de winnende treffer scoorde, ontplofte het stadion zowat. Janken, schreeuwen, kermen, juichen, gillen, dansen. Na de wedstrijd wandelden wij, een taxi zoekend, richting stad en liepen langs de file van duizenden auto's. Of ze hun claxon gebruikten? Het was prachtig en alle Italianen zijn gek. In elk geval op voetbal.